‘We willen dialoog over Yantai’

Toen FEB meer dan een jaar geleden de opdracht kreeg om opleidingen naar China te exporteren, stelde de faculteit een adviescommissie in die moest uitzoeken of dat wel een goed idee was. Commissieleden Beppo van Leeuwen en Frans Rutten waren kritisch over de plannen. En dat zijn ze nu nog steeds: ‘Biedt het Yantai-plan voldoende voordelen voor FEB? Het antwoord op die vraag blijft nog altijd onduidelijk tot negatief.’

Van Leeuwen, coördinator van verschillende samenwerkingsverbanden met China, en Rutten, voormalig associate dean international, vinden het belangrijk dat hun kritiek gehoord wordt. ‘We merken dat er al maandenlang weinig wordt gezegd over de plannen, en dat iedereen zich stilhoudt. Wij vinden dat er dialoog moet plaatsvinden. Er moeten dingen gezegd worden’, zegt Rutten. De twee oud-commissieleden bedachten daarom op persoonlijke titel en op verzoek van de UK welke vragen er nu rond ‘Yantai’ spelen, en geven daar zelf antwoord op.

Hoe kijken jullie achteraf tegen het advies aan? Staan jullie nog steeds achter de aanbevelingen die jullie destijds deden?

‘Zeker! Het stuk bevatte veel kritische vragen die in de destijds lopende discussie niet werden gesteld of volstrekt onvoldoende waren beantwoord. In onze ogen werden de verwachte opbrengsten overschat, en de risico’s en vereiste inspanningen onderschat. Dat starten met het voorbereidende jaar in Yantai in september 2016 onrealistisch was, is al vrij snel bevestigd en het begint erop te lijken dat je nu dezelfde conclusie zou moeten trekken over starten in 2017.’

Zijn de vragen en zorgen die in jullie advies naar voren zijn gebracht inmiddels voldoende beantwoord?

‘Daar kunnen we moeilijk volmondig ja of nee op zeggen, al is het maar omdat wij sinds januari nog maar weinig informatie hebben gekregen. Daarmee is aan een van onze aanbevelingen in ieder geval niet voldaan: het creëren van betrokkenheid en instemming op de werkvloer door transparant opereren en open communicatie.

Voor zover onze waarneming strekt, heeft informatie over de ontwikkelingen die sinds het voorjaar hebben plaatsgevonden bijna steeds het stempel ‘vertrouwelijk’ gekregen en is deze daarmee maar in beperkte kring verspreid. Dat is vreemd en contraproductief voor een project dat alleen kan slagen als het universiteitsbreed wordt gesteund. Standpunten worden daardoor niet aan tegenspraak getoetst, en beschikbare kennis en expertise te weinig benut. Het staat in ieder geval in schril contrast met de werkwijze die wij als adviescommissie voor ogen hadden, toen het opstellen van een facultaire business case voor FEB nog aan de orde was.’

yantai

De universitaire business case waar jullie om vroegen is er nu. Een belangrijke aanbeveling is dan toch gerealiseerd?

‘Dat zouden we graag beamen, maar zo simpel ligt het helaas niet. Natuurlijk is het goed dat er nu een business case is, maar deze komt rijkelijk laat en pas nadat belangrijke stakeholders (ministerie, universiteitsraad, raad van toezicht) erop hadden aangedrongen. Daarmee is de rol die een business case had moeten spelen in de besluitvorming – een kritisch, objectief vooronderzoek naar wenselijkheid en haalbaarheid van het plan – sterk ingeperkt. Te veel en te vroeg heeft aan het Yantai-project het label ‘ja, tenzij…’ gehangen, terwijl de bevindingen van de business case ook tot uitstel of afstel aanleiding zouden moeten kunnen geven.’

Een typisch geval dus van ‘too little, too late’? Maar is dat alles wat er over dit rapport van bijna veertig pagina’s valt te zeggen?

‘Zeker niet. Er is duidelijk veel tijd en moeite in gestoken, en dat heeft ook iets opgeleverd. Zo is er bijvoorbeeld een poging gedaan om het Yantai-project onderdeel te maken van de universitaire strategie. Internationalisering is daarbij de aanvliegroute. Maar waarom we daarbij, afgezien van dat de gelegenheid zich voordeed, kiezen voor a) een branch campus, b) in China, c) in Yantai, d) met de Chinese Agricultural University (CAU), komt nog steeds onvoldoende uit de verf. Aan alternatieve strategieën wordt geen aandacht besteed.

Op vier gebieden wordt het project nu als zeer risicovol getypeerd

Prijzenswaardig is ook dat er meer context wordt aangebracht in een hoofdstuk ‘Interne en Externe Ontwikkelingen’. En, in tegenstelling tot de vorig jaar uitgebrachte risico-inventarisatie, wordt in de business case wel gedifferentieerd tussen de talrijke risico’s. Op vier gebieden wordt het project nu als zeer risicovol getypeerd (waaronder het als essentieel aangeduide commitment van de staf), op elf gebieden als matig en op drie als laag. Ook wordt de tot nu toe klakkeloos geponeerde stelling, dat Yantai zal leiden tot een verbetering van onze positie in rankings en van onze globale reputatie, nader onderzocht. Helaas zonder bemoedigend resultaat. Bij geen van de bekeken voorgangers, Nottingham noch Liverpool, valt tot op heden zo’n effect te constateren.

Er zijn echter ook de nodige punten waarover de business case zich niet uitspreekt of minder ver gaat dan wij hadden gehoopt. Wij noemen er een paar in willekeurige volgorde:

• Wat heeft het industriepark van Yantai ons te bieden? Wat voor bedrijven zitten er, wat is hun omvang en hoe aannemelijk is het dat ze mogelijkheden bieden voor onderzoeksamenwerking? We beschikken al geruime tijd over een lijst met nietszeggende bedrijfsnamen, de observatie van een FWN-delegatie dat er op het park weinig activiteit is te bespeuren en de wetenschap dat het Yantai-park vooralsnog niet te vergelijken is met bijvoorbeeld het Suzhou Industrial Park waar Xi’an Jiaotong-Liverpool University is gevestigd (2100 internationale bedrijven, waarvan meer dan honderd uit de Fortune 500-lijst). Aan deze beperkte kennis voegt de business case niets toe.

• Wat zal nu precies de inbreng van de CAU worden? Er wordt gerefereerd aan mogelijkheden op het gebied van agri-food, maar dit wordt verder niet uitgewerkt. Bij ons bezoek aan de faculteit Economie en Management van de CAU in november 2015 kregen wij sterk in de indruk dat men daar zeer afwachtend, zo niet afhoudend is.

We hebben we daar grote zorgen over

• Welke problemen zijn, liefst gespecificeerd per discipline, te verwachten wanneer kwaliteit- en cultuurdragend wetenschappelijk personeel (wp) uit Groningen naar Yantai vertrekt voor enkele maanden of – wat voor een stabiele organisatie van de University of Groningen Yantai (UGY) toch belangrijk zou zijn – langer? Bij FEB hebben we daar grote zorgen over. Bij international business bijvoorbeeld kunnen de goedgekeurde projecten international classroom en language and culture policy voorlopig niet van start gaan, omdat er geen vervanging is gevonden voor de stafleden die het project willen uitvoeren. En dan gaat het slechts om duizend onderwijsuren. Hoe moet dat, wanneer per opleiding twee wp’ers aan de onderwijsstaf worden onttrokken? Vergelijkbare zorgen kun je hebben over de geweldige hoeveelheid tijd en energie die leidinggevenden en senior medewerkers op het Bureau van de universiteit aan Yantai besteden. Kan dit lange tijd doorgaan zonder schade toe te brengen aan de noodzakelijke verdere ontwikkeling van de RUG in Groningen? In de business case worden de negatieve effecten op de eigen organisatie als een belangrijke reden genoemd, wanneer universiteiten besloten om te stoppen met een international joint university en ook bij de onderzoeksvisitatie van FEB is op dit punt een duidelijke waarschuwing gegeven.

• Waarom neemt het business case-team zonder verder onderzoek de stelling over dat UGY uniek is vanwege de aandacht die van meet af aan zal worden besteed aan onderzoek? Onze jarenlange samenwerking met Liverpool-Suzhou en Nottingham Ningbo, en onze uitvoerige contacten met professor Gow, de founding provost van Nottingham Ningbo, hebben ons geleerd dat in beide gevallen onderzoek uiteraard werd meegenomen in de plannen. Beide universiteiten zijn lid van de Russell Group van onderzoeksintensieve universiteiten en zouden zich niet eens kunnen permitteren een filiaal te openen zonder een stevige onderzoeksfundering. Hoe zouden ze ook wetenschappers van voldoende kaliber voor hun nieuwe vestiging hebben kunnen werven, zonder de belofte dat er substantieel tijd voor onderzoek zou zijn? Het knelpunt was echter dat onderzoek in de eerste jaren voortdurend zwaar onder druk stond van de vele problemen die zich voordoen bij een universiteit in opbouw: curriculumontwikkeling en -afstemming, het opbouwen van een goed ondersteunend apparaat, het organiseren van de kwaliteitszorg, het verbeteren van studentenwerving, de permanent doorlopende wervingsprocedures van staf, etc.

• Wat ons, tot slot, nogal heeft bevreemd is het a-historische karakter van de business case. Het stuk benadert het hele project alsof we nog aan het begin van het traject staan (wat in de ideale situatie ook het geval zou zijn geweest). Neem bijvoorbeeld de belangrijke vraag van het commitment van de staf in Groningen. Het kan de schrijvers van de business case toch niet zijn ontgaan dat het draagvlak bij FEB zeer gering is, maar ook dat bij andere betrokken vakgroepen, neem scheikunde, veel weerstand bestaat. Je zou verwachten dat deze omstandigheden expliciet worden benoemd en geanalyseerd, maar er wordt eigenlijk alleen in algemene termen op gewezen dat decanen en CvB veel aandacht moeten besteden aan het ‘meenemen’ van de werkvloer.’

 

Het is duidelijk dat de geleverde business case jullie niet heeft overtuigd van nut en haalbaarheid van het Yantai-project. Hoe zal het nu verder gaan, in jullie verwachting?

‘Dat is een kwestie van gissen. Maar laten we ons beperken tot een optimistisch-realistisch scenario. In dat scenario vergaat het de RUG in grote lijnen zoals het de twee meest succesvolle voorgangers, Nottingham en Liverpool, is vergaan. UGY wordt een onderneming waaraan vooral het centrale niveau is gecommitteerd. Het is ‘een ding’ van het concern, niet van de Groningse werkmaatschappijen, de faculteiten. Die zullen zich zakelijk, dat wil zeggen vanuit hun eigen belang, verhouden tot de andere campus die overigens geen branchcampus is, maar een zelfstandige universiteit.

In de beginjaren zullen er veel problemen zijn

In de beginjaren zullen er veel problemen en kinderziekten zijn: (financiële) afspraken tussen de partners die verschillend worden geïnterpreteerd, tegenvallende kwaliteit van de studenten, problemen met het curriculum en vakken die soms onder de maat zijn, docenten die hun draai niet kunnen vinden, ondersteuning die te wensen overlaat, enz. Aan de kwaliteit die veel opleidingen aan de RUG hebben bereikt, is jarenlang hard gewerkt. Dat plant je niet zomaar even over. En om goede studenten te trekken, moet je bekendheid en reputatie hebben. Die moet UGY nog helemaal opbouwen. Het wetenschappelijk onderzoek zal, zoals eerder gemeld, moeite hebben om van de grond te komen. Het verloop onder wp en (westers) ondersteunend en beheerspersoneel (obp) zal relatief groot zijn, waardoor de kernstaf veel tijd kwijt is aan het werven en inwerken van nieuw personeel. Omdat het commitment en de belangstelling vanuit de Groningse faculteiten gering zijn, moet het wp voornamelijk extern worden geworven.

Mede daardoor blijft de samenwerking tussen de academische staf in Groningen en in Yantai beperkt. En als er al betaalde samenwerking met de omliggende industrie tot stand komt, dan concentreert die zich toch vooral in de Yantai-vestiging, niet in Groningen. Ook bij een beperkte samenwerking zal er een forse last rusten op faculteiten om de kwaliteit in Yantai op peil te houden en de opleidingen voldoende synchroon te laten lopen. De vergoedingen daarvoor zullen ontoereikend zijn, ondanks het streven naar integrale kostprijsberekening, en dus leiden tot verborgen kosten voor de Groningse faculteiten, al is het maar in de vorm van niet-volledige of niet-gelijkwaardige vervanging van de gedetacheerde staf.

Het aantal buitenlandse studenten zal, niet anders dan in Ningbo en Suzhou, relatief beperkt zijn. In Nottingham Ningbo is het aantal niet-Chinese studenten na elf jaar bijvoorbeeld 10 procent, en dat tegen een collegegeld van 80.000 RMB (10.700 euro), waar UGY collegegelden van 12.500 euro begroot. Kortom, in het meest aannemelijke scenario wordt het voor de RUG hard werken met vooralsnog een bescheiden resultaat. De voordelen liggen vooral aan de kant van China, en Yantai in het bijzonder. Universiteiten als Liverpool-Suzhou en Nottingham Ningbo zijn allereerst voor het Chinese hoger onderwijs een aanwinst, dat hebben wij in onze samenwerking de afgelopen jaren afdoende kunnen vaststellen.’

yantai2

Wat betekent dit alles voor FEB? Zal de stemming daar op afzienbare termijn omslaan?

‘Nee, dat verwachten wij niet. De hamvraag was en blijft voor FEB: biedt het Yantai-plan naast de benodigde inspanningen, nadelen en risico’s voldoende voordelen en opbrengsten, ook in vergelijking met alternatieve vormen van internationalisering? Het antwoord op die vraag is, ook na het verschijnen van de universitaire business case, nog altijd onduidelijk tot negatief. Uit een business case die vier cruciale gebieden (commitment van de werkvloer, werving van academische staf, faciliteiten en middelen) als hoog risicovol kwalificeert, kun je nu eenmaal niet een eenduidige ‘go’-beslissing afleiden. Bij gebrek aan een overtuigend antwoord op de waaromvraag, zal de faculteit, denken wij, de voorkeur blijven geven aan investeren in de eigen kwaliteit via nog beter onderzoek, een meer onderscheidende opleidingenportfolio, signature areas, succesvolle international classroom-projecten, taal- en cultuurbeleid, learning-community’s en wereldwijde partnerships, en daarmee aan een andere invulling van de global university. Dat vergroot direct de aantrekkelijkheid van FEB voor zowel Nederlandse als buitenlandse studenten en voor onze industriële en academische partners. Men zal daar meer vertrouwen in hebben dan in een onzeker Yantai-project.’

Beppo van Leeuwen en Frans Rutten

Foto’s: RUG

English

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Reacties met een link worden beoordeeld en kunnen worden geweigerd. / Comments containing a link will be reviewed and may not be published.

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in