Trots

‘Beste medewerker, Wat vindt u dat er goed gaat en beter kan bij de Rijksuniversiteit Groningen? Dit is dé gelegenheid om uw stem te laten horen’, aldus een e-mail waarin ik werd uitgenodigd om mee te doen aan het medewerkersonderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen.
Door Gerrit Breeuwsma

Nu is er op zich niets bijzonders aan zo’n uitnodiging, want ik krijg bijna wekelijks een verzoek om mee te doen aan een vragenlijstonderzoek. Iedereen lijkt alles van me te willen weten. ‘Het invullen zal hooguit vijftien minuten in beslag nemen’, staat er vaak geruststellend bij, maar dan kennen ze mij nog niet. De simpelste vragen kunnen mij zoveel hoofdbrekens bezorgen dat ik al gauw uren kwijt ben en wegzink in een diepe existentiële twijfel. Uit zelfbescherming leg ik dit soort verzoeken veelal dan ook snel terzijde.

Hier raakte ik trouwens bij de zinsnede ‘Wat vindt u dat er goed gaat en beter kan’? direct al in de war, want waarom zou het eigenlijk beter moeten als het al goed gaat? En een medewerkersonderzoek van de universiteit, is dat eigenlijk niet een onderzoek naar je zelf? In zekere zin ben ik toch ook de universiteit (l’université, c’est moi)? Ik word in ieder geval regelmatig als zodanig aangesproken (‘Wat vindt de universiteit daarvan?’, wordt er dan gevraagd en niemand vindt het raar als ik dan antwoord geef).

De RUG identificeert zich soms naar buiten toe ook expliciet met haar medewerkers, al is het dan wel zaak om eerst een Nobelprijs te winnen. Er wordt gefluisterd dat de mannen van het College van Bestuur een T-shirt met opdruk ‘Je suis Ben’ onder hun gesteven overhemden dragen.

Maar als dit werkelijk ‘dé gelegenheid’ is om mijn stem te laten horen, wat heb ik dan al die jaren gedaan tijdens vergaderingen, overleggen, in commissies en werkgroepjes? En hoe komt het toch dat ik daar vaak het gevoel heb dat het er helemaal niet toe doet wat ik vind, al was het maar omdat er meestal zaken besproken worden die elders al lang zijn besloten, en waarom zou dat nu ineens anders zijn?

Maar vooruit, ik ben wel degelijk een loyale medewerker, zodat ik na lang aarzelen doorklik naar de vragenlijst. ‘Ik ben tevreden met mijn werk’, luidt de eerste vraag (dus toch een zelfonderzoek!). Ik denk: ‘ja, in veel opzichten wel, maar…’, maar dat is geen optie. ‘Mee eens’ en ‘helemaal mee eens’ wel, waarbij ik minstens een kwartier nadenk over het verschil tussen beide. Ik kies dan maar voor een bescheiden ‘mee eens’ en doe dat ook bij de tweede vraag (‘Ik heb plezier in mijn werk’).

Maar dan vraag drie: ‘Ik ben trots op het werk dat ik doe’. Daar loop ik vast (echt ‘helemaal vast’), want dat zou ik nou nooit zeggen. Trots is een soort geilheid, maar dan keurig in het pak (heel erg zijn mannen die zeggen dat ze trots zijn op hun vrouw). Je bent het wel eens, maar je moet er niet mee te koop lopen.

Het schiet zo niet op en ik begin door de vragenlijst te bladeren in de hoop dat de vragen verderop eenvoudiger zijn. Ik zie de trots nog een keer langskomen (‘ik ben trots op de RUG’) en daarna nog eens in één van de twee open vragen (‘waar bent u het meest trots op bij de RUG?’). Ik begin te vermoeden dat de opstellers van de vragenlijst heel trots zijn op de RUG en graag willen dat wij dat ook zijn.

De laatste open vraag luidt: ‘Wat kan de RUG verbeteren om een betere organisatie te worden?’ Daar besluit ik eens goed voor te gaan zitten, maar dan denk ik ineens aan het opiniestuk in de NRC van zaterdag 20 januari, geschreven door Eelco Runia, historicus en voormalig universitair docent aan de RUG. Hij keert zich daarin tegen het marktdenken en de neoliberale bestuurscultuur aan de universiteit en dat zit hem zo hoog dat hij onlangs zijn ontslag heeft ingediend.

Ik las het stuk (‘Helemaal mee eens’, dacht ik), en begreep ineens welke vraag ik miste in het medewerkersonderzoek: ‘Waar schaamt u zich het meest voor bij de RUG?’

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here