Stadjers

In tijden niet zo’n rustige jaarwisseling gehad. De familie lag ver voor twaalf uur al op apegapen. Voor mijn vrouw is tot twaalf uur opblijven – wat was als kind mooier dan opblijven? – sowieso een lastige opgave. Zij is meer een ochtendmens. Toen ik op oudejaarsdag uit bed kwam, had zij al een paar uur oliebollen staan bakken, genoeg voor een weeshuis. Dat werd dus stevig dooreten de rest van de dag.
Door Gerrit Breeuwsma

Voor we echter een hap konden nemen, had ze al drie keer gezegd dat er nergens zulke goede oliebollen te krijgen waren (er is bij ons in de wijde omtrek überhaupt niets te krijgen), waarna ze begon uit te rekenen wat wij per oliebol wel niet bespaarden, als je de prijs in een oliebollenkraam als richtlijn nam. Ruim voor twee uur die middag hadden wij al zoveel ‘verdiend’ op de oliebollen dat een Zuid-Soedanese boer er zijn gezin met vijf kinderen een heel jaar mee zou kunnen onderhouden en dan nog geld overhield voor de aanschaf van een geit.

Zelf houd ik juist van de nachtelijke uurtjes; om in alle rust te lezen of te netflixen. Dat kan natuurlijk niet altijd onbeperkt, maar in de vakantie mogen de remmen los en sla ik aan het nachtbraken. Het is omdat ik het zonde vind de dag te verslapen, anders zou ik pas bij het ochtendgloren naar bed gaan.

Rond negenen zei mijn vrouw dat ze na twaalf uur direct naar bed ging en op een of andere manier haalt zo’n mededeling toch een beetje de vaart uit de avond. Onze oudste was net terug van een trainingskamp uit Inzell en zelfs te moe om naar bed te gaan. De jongste daarentegen zat een beetje te mokken op de bank. Hij had zich een wilde voorstelling gemaakt van oudjaarsavond, maar helaas, wat hij wilde mocht niet van ons en wat hij mocht wilde hij niet.

Ik stond er dus helemaal alleen voor.

Om de stemming toch een beetje op te peppen, begon ik uit volle borst ‘zo lang de lepel in de Claudia de Breijpot staat dan treuren wij nog niet’ te zingen, maar het werd niet gewaardeerd. Alleen de jongste zag ik flauwtjes glimlachen, maar hij had zich voorgenomen de rest van het jaar niets meer leuk te vinden en wist dat manmoedig vol te houden.

Niettemin wisten we en famille de eindstreep van 2016 te bereiken. Halverwege de eerste klokslag waren we al aan het zoenen en gelukwensen begonnen. Altijd toch een wat ongemakkelijk moment, dat je maar het beste snel achter de rug kunt hebben. Nunc est bibendum!

Een half uurtje later was het stil in huis. Alleen heel in de verte hoorde je nog wat geknal.

De volgende ochtend al vroeg wakker, zonder kater, maar met een vol gevoel. Mijn vrouw vond ik even later in de keuken. Ze stond in de resterende oliebollen te knijpen: keihard. Een nieuw jaar, maar verder was alles hetzelfde.

Maar dan realiseer ik me dat het helemaal niet hetzelfde is. Wij horen per 1 januari niet langer meer bij de gemeente Slochteren, maar zijn bij Groningen ingelijfd, zodat de stad de komende jaren de nieuwe wijk Meerstad kan ontwikkelen. Mijn lang gekoesterde zelfbeeld als plattelander is in één nacht verbrijzeld. Wij zijn stadjers geworden.

Vooralsnog heeft dat niet veel om het lijf: onze postcode is gewijzigd, het huisafval wordt in het vervolg op dinsdag afgehaald en hadden we een hond, dan moesten we nu hondenbelasting betalen.

Valt best mee zou je denken, maar Meerstad rukt op en in een grote boog om ons heen heeft iedereen zijn huis of boerderij verkocht. Ook aan onze poort is al geklopt, maar wij hebben besloten ons, als Asterix en Obelix (rare jongens, die stadjers) tegen de Romeinen, met hand en tand te verzetten en daar geen middel bij te schuwen.

Die ouwe oliebollen, denk ik, zijn een gevaarlijk wapen.

En zo zal men over vele jaren in de boeken kunnen lezen: ‘Het was in die dagen dat de Groningers vrijwel heel Slochteren veroverden. Alleen ten oosten van de stad bood een kleine nederzetting nog moedig weerstand dankzij de keiharde ballen van de druïde Olibomix.’

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here