Demonstreer vóór de wetenschap

Donald Trump wil bezuinigen op wetenschappelijk onderzoek. Maar, stelt universitair hoofddocent Stephan Schleim, de wetenschappelijke vrijheid en onafhankelijkheid waren ook al vóór de Amerikaanse presidentsverkiezingen in het geding.
Door Stephan Schleim

Vorige week zaterdag 22 april liepen mensen over de hele wereld mee in demonstraties voor wetenschappelijke vrijheid en onafhankelijkheid. In Amsterdam liepen er volgens de organisatoren drieduizend mensen mee. De stad was slechts een van de 608 waar de March for Science plaatsvond.

Het evenement is ontstaan in de Verenigde Staten, waar de ‘hoofdmars’ in Washington DC werd gehouden. Het is onder meer ontstaan in reactie op de aankondiging dat de regering van Trump ging bezuinigingen op meerdere landelijke wetenschappelijke financieringsinitiatieven. Het blad Science schreef dat de National Institute of Health en de Department of Energy het meest zouden lijden; hun budget zou met 20 procent verlaagd worden.

Bij de verschillende ‘marches’ lag de nadruk dan ook op onderzoek naar gezondheid en het milieu, zoals klimaatverandering en alternatieve energie. Bovendien werd 22 april al in de jaren zeventig van de vorige eeuw al door milieuactivisten als Earth Day bestempeld. Zelf in Nederland hadden mensen foto’s van Trump op hun borden.

Té politiek

Nog voor de March of Science vroegen wetenschappers zich af of ze überhaupt wel mee moesten lopen. Sommige puristen vonden de actie té politiek. Anderen zeiden dat het de vele problemen eigen aan het wetenschappelijke systeem negeerde.

Thomas Grohmann, die een postdoc in scheikunde doet aan Northwestern University in de VS, zei daarom: ‘Ik vind het makkelijker om uit leggen waarom ik liever niet aan de mars meedoe. Wat mij betreft gaat het slecht met het onderzoek en onderwijs aan de universiteit: de werkomstandigheden zijn slecht, de hiërarchieën zijn veel te streng, er is veel te veel vriendjespolitiek, mensen hebben geen goed uitzicht op een baan, vrouwen, allochtonen en andere achtergestelde mensen worden benadeeld, etc.’

En toch vond Grohmann de invloed van de politiek op de wetenschap zo erg dat hij meeliep. Slechts één van de speeches in Amsterdam ging over de problemen die hierboven zijn genoemd: Jarmo Berkhout, voorzitter van de LSVb, uitte kritiek op de hoge werkdruk voor onderzoekers en docenten in het wetenschappelijk onderwijs.

Naïeve uitspraak

‘Wetenschap gaat om feiten, niet meningen!’ stond er op vele borden te lezen. Als wetenschapsfilosoof vind ik dit persoonlijk een beetje een naïeve uitspraak, aangezien er in de jaren zestig al werd gezegd dat wetenschap niet zomaar feiten blootlegt, maar dat observatie afhankelijk is van theorieën, de beschikbare instrumenten, en de verdere aannames over hoe die werken en hoe ze toegepast moeten worden.

Als je zegt dat het alleen maar over feiten gaat, doe je de uitspraak van Karl Popper dat alle wetenschappelijke kennis per definitie onvolmaakt is, teniet. Een goed voorbeeld is Pluto: Ooit was het een wetenschappelijk feit dat Pluto een planeet is. Maar dit veranderde toen leden van de International Astronomical Union het op 24 augustus 2006 van de officiële lijst van planeet afhaalden.

Ik ben het ermee eens dat wetenschappelijke vrijheid en onafhankelijkheid al vóór de Amerikaanse presidentsverkiezingen in het geding waren. De eerder genoemde werkomstandigheden zijn een goed voorbeeld: als tertiaire financiering essentieel is voor een vast contract, zoals bij veel Nederlandse universiteiten het geval is, dan hebben externe geldverstrekkers zoals de overheid, bedrijven, of privéorganisaties wel erg veel invloed op de carrières van wetenschappers.

Hiaten

Ondanks de initiatieven Open Science en Science in Transition, die met veel verbeteringsvoorstellen kwamen, vind ik dat ons systeem van publiceren nog veel hiaten heeft. Het gebeurt erg vaak dat redacteuren voor commerciële privéorganisaties werken maar toch alle beslissingen nemen over welke artikelen ze wel en niet accepteren. Deze beslissingen zijn vaak niet transparant en kunnen niet aangevochten worden.

Collegiale toetsers, die essentieel voor het proces zijn en die ook op veel borden in de March for Science werden bejubeld, worden in het geheim gekozen en hoeven hun keuzes aan niemand anders dan de redactie te verantwoorden. Daar komt ook nog bij dat het óf onze vrienden óf onze concurrenten zijn die onze artikelen nakijken, waardoor er belangenverstrengeling ontstaat. Als we echt onafhankelijke toetsers willen, hebben die waarschijnlijk weer niet voldoende technische kennis om ons zeer specialistische onderzoek te kunnen beoordelen.

En dit zijn nog maar een paar voorbeelden. Als wetenschappelijke feiten van essentieel belang zijn voor beleidsmakers en de samenleving, waarom staan er dan bijna nooit negatieve bevindingen in wetenschappelijke tijdschriften? Wetenschappelijke kennis heeft een bijzondere status – maar we moeten niet alleen maar demonstreren voor de afhankelijkheid van de wetenschap wanneer politici bezuinigingen aankondigen.

Stephan Schleim is universitair hoofddocent theorie en geschiedenis van de psychologie aan de RUG. Ook is hij lid van de Vakbond voor de Wetenschap (VAWO).

English

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Reacties met een link worden beoordeeld en kunnen worden geweigerd. / Comments containing a link will be reviewed and may not be published.

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in