Naming and shaming

Elke dag vraagt de redactie van de UK zich af: waar schrijven we over, waarom schrijven we erover en hoe? Daarom een wekelijks kijkje achter de schermen.

De afgelopen weken hebben we uitgebreid verslag gedaan van de strafzaak tegen voormalig RUG-manager Hans G., die wordt verdacht van (jarenlange) fraude aan de universiteit. In de berichtgeving kwam ook met regelmaat G.’s vermeende ‘handlanger’ voorbij, een zekere meneer P. van technisch bureau Postma.

Het ligt dan nogal voor de hand hoe meneer P. heet en dat is niet netjes van jullie, zo reageerden meerdere lezers van de UK. Zij vinden dat we via een rare constructie (de initiaal P. en de onderneming Postma) doen aan naming and shaming.

Dat is niet per se het geval. Het kan heel goed zijn dat technisch bedrijf Postma ooit is overgenomen door meneer Pietersen of Petersen.

Richtlijn

De kwestie zit iets ingewikkelder in elkaar dan het lijkt. In de jaren vijftig van de vorige eeuw kwamen de Nederlandse media met de eigen richtlijn dat ‘reputaties niet nodeloos mogen worden aangetast’. Onderdeel daarvan was, en is nog steeds, dat verdachten niet met de volledige naam, maar met initialen worden aangeduid.

Er zijn wel uitzonderingen, want het is natuurlijk nogal zot om te schrijven over ‘de Nederlandse premier Mark R. te Den Haag’ (voor zover er een verband is tussen de functie en het delict, daarover zo meer). En soms vinden media het om andere redenen relevant om ervan af te wijken (zoals bij Volkert van der G., de moordenaar van Pim Fortuyn, wiens naam ook volledig is vermeld).

Maar in zijn algemeenheid respecteert de journalistiek de privacy van personen/individuen. Waarbij aangetekend dat de Nederlandse media een uitzonderingspositie innemen ten opzichte van veel andere (Europese) landen, waar het er doorgaans minder fijngevoelig aan toegaat.

Strikt

Terug naar meneer P. Is hier sprake van ‘het nodeloos aantasten van een reputatie’? Als je de richtlijnen strikt neemt, hadden we wellicht moeten volstaan met ‘een bedrijf’. Maar er is sprake van een duidelijk verband tussen de werkzaamheden die het bureau heeft verricht en het delict. En daarom is het relevant (en belangrijk) om te vermelden.

Dan zouden we het vervolgens kunnen houden bij ’technisch bureau’. Maar dan scheren we alle technische bureaus over één kam. Of ’technisch bureau P’. Maar hoeveel bedrijven heten technisch bureau P. (Pietersen, Petersen enz.)? Dat kan voor al die hardwerkende Pietersens en Petersens tot vervelende situaties leiden en dat wil je ook niet.

Tandarts Q.

Een voorbeeld uit de tijd dat ik voor Het Parool in Amsterdam werkte: de Inspectie voor de Gezondheidszorg dreigde een aantal jaren geleden een tandartspraktijk in de hoofdstad te sluiten, vanwege slechte hygiëne. De tandarts had een achternaam die nogal ongewoon begon met een Q. We besloten om alleen de initiaal te melden.

Niemand die zich had gerealiseerd dat er in Amsterdam nog een tandarts Q. werkte. Nog dezelfde dag belde hij, half in paniek: ‘Jullie maken mijn praktijk kapot!’ Hij had dus helemaal niks met die andere Q. te maken, hij had zijn zaken wél keurig op orde.

Je probeert het als journalist netjes te doen en mensen niet nodeloos te beschadigen (de eerste tandarts Q.), maar als gevolg daarvan beschadig je (weliswaar onbedoeld) andere onschuldige mensen of bedrijven (de tweede tandarts Q.).

Om een lang verhaal kort te maken: wat we ook doen, de kans is groot dat er altijd iemand is die een kneuzing oploopt. De afweging is telkens weer: hoe beperken we die kneuzing?

Rob S. te G., hoofdredacteur Universiteitskrant

English

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Reacties met een link worden beoordeeld en kunnen worden geweigerd. / Comments containing a link will be reviewed and may not be published.

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in