Meeloopdag

‘Als Stadslyceum hechten we er grote waarde aan dat leerlingen veel buiten de deur van de school kijken om ervaringen met en inzichten in beroepen te krijgen’, zo lees ik in een nieuwsbrief van de school van onze jongste. Hij zit in de derde klas van het vwo en moet dit jaar zijn profielkeuze maken, en die keuze heeft natuurlijk consequenties voor wat hij later wel en vooral niet kan gaan worden.
Door Gerrit Breeuwsma

‘De druk om een goede studiekeuze te maken en te presteren wordt vanuit de overheid opgevoerd’, staat er verder in de brief en dat klinkt niet alleen verontschuldigend (‘wij kunnen er ook niks aan doen, het moet nu eenmaal’), maar ook een beetje dreigend, alsof dit de laatste kans is om nog iets van zijn leven te maken.

‘Voor veel jongeren van 14 jaar is de wereld van arbeid en beroep nog vaag’, zo lees ik verder, ‘sommigen hebben geen idee wat het werk van de mensen in hun naaste omgeving behelst.’ Nou, daar wisten wij alles van. Jaren geleden antwoordde onze oudste tijdens het kringgesprek op de basisschool op de vraag wat zijn ouders deden: ‘Mijn vader is boer en mijn moeder doet iets met computers.’ Met dat laatste kun je zo langzamerhand ieder beroep omschrijven, maar dat eerste klopte van geen kant. Had hij werkelijk geen idee wat we deden of geneerde hij zich voor het feit dat hij met twee psychologen zat opgescheept?

Had hij werkelijk geen idee wat we deden of geneerde hij zich voor het feit dat hij met twee psychologen zat opgescheept?

Die kringgesprekken zijn godzijdank verleden tijd. ‘Mijn vader is alcoholist’, heeft de jongste eens blijmoedig in de groep gegooid. ‘Ja, alleen in het weekend, hoor’, had hij er vergoelijkend aan toegevoegd. Misschien dat ik het me verbeeldde, maar als ik hem op maandagochtend naar school bracht, keek zijn juf me soms met zo’n ‘ja ja, zeker weer flink ingenomen’-blik aan.

Maar ik dwaal af.

Om te ervaren wat een beroep inhoudt, moeten alle leerlingen een dagje mee naar het werk, bij voorkeur met een van de ouders, aldus nog steeds de nieuwsbrief. Een en ander moet op 7 december plaatsvinden en dat is het al bijna, dus zitten wij nu midden in de onderhandelingen met wie hij dan zal meegaan voor zijn ‘meeloopdag’.

Zoonlief doet er alles aan om ons ervan te overtuigen dat we het allemaal niet zo serieus moeten nemen. Dat hij veel beter gewoon een dagje thuis kan blijven (‘dat doet echt iedereen’) en dat hij het verslag over zijn stage ook zo wel kan schrijven. Maar dat vinden wij – opvoedkundig – niet zo’n goed idee.

‘Mijn vader is alcoholist’, heeft de jongste eens blijmoedig in de groep gegooid. ‘Ja, alleen in het weekend, hoor.’

Wij zeggen dat hij gewoon moet en denken dat hij het beste met mijn vrouw mee kan gaan. Hij protesteert nog even, maar als wij voet bij stuk houden, wil hij dan toch liever met mij mee. Ik zeg dat er voor hem bij mij echt niets te doen valt, maar dat lijkt hem alleen maar meer te overtuigen in de juistheid van zijn keuze: ‘Je hebt toch wel wifi op je werk, pap?’

‘Er gaan te veel vwo’ers naar de universiteit’, lees ik deze week in een onderwijsblog van de NRC. ‘Te veel vwo-leerlingen kiezen nu voor een universitaire opleiding om daarmee een ticket naar welvaart te bemachtigen, zonder de daarvoor vereiste inspanning te willen of kunnen leveren’, aldus de auteur. Onder druk van de prestatieafspraken slagen veel studenten erin dankzij ‘tussentoetsen en korte cognitieve sprintjes’ en met een ‘afgeraffelde scriptie’ de eindstreep te halen. Dat moet anders: de auteur is van mening dat het vwo aspirant-studenten grondiger zou moeten voorbereiden op een vervolg als junior onderzoeker en bepleit een academisch klimaat waarin ‘bedachtzaamheid en volharding’ hoog in het vaandel staan.

Bedachtzaamheid en volharding. Mooie woorden. Ik zal het thuis inbrengen. Dan maar eens zien of hij nog steeds met me mee wil.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here