Eerstejaars

Over een half jaar zijn ze helemaal opgegaan in het straatbeeld, maar nu haal je ze er zo uit: de nieuwe lichting eerstejaars.
Door Gerrit Breeuwsma

Ze kijken nog wat onwennig om zich heen of zijn juist veel te nadrukkelijk zelfverzekerd. Ze lopen in groepjes waarvan de verschillende bestanddelen zich nog niet echt aan elkaar gehecht hebben en waarin joligheid de ongemakkelijkheid moet maskeren. Of ze lopen alleen, maar dan ook moederziel alleen. Je ziet aan ze dat ze hun weg nog moeten vinden, ook letterlijk, want waar was ook al weer de Haddingestraat? En hoe kom je in hemelsnaam in Zernike (of is het op Zernike)?

De herinneringen aan die tijd liggen bij mij onder een dikke laag stof, maar als ik de eerstejaars zie lopen, komt er wel weer wat boven, meestal begeleid door gemengde gevoelens. Er ging dan wel een hele nieuwe wereld voor je open, maar je had geen idee wat je ermee aan moest vangen. Ja, je ging studeren, maar hoe doe je dat eigenlijk, studeren?

Toen ik voor het eerst in de Offerhauszaal zat, zag ik meteen dat ik een bril nodig had. Zelfs voor in de zaal kon ik van wat er op het bord werd geschreven niets lezen en achter in de zaal herkende ik de docent niet eens meer. Het duurde nog bijna een jaar voor ik de stap naar de oogarts durfde te nemen. Hij constateerde dat ik min drie aan beide ogen had. Ik schafte me een brilletje aan en toen ging er pas werkelijk een wereld voor me open. Daar schrok ik zo van dat ik keihard tegen een lantaarnpaal aanliep, zodat ik direct weer terug kon naar de Pearl om mijn bril te laten repareren. Sindsdien ben ik een man met een bril. Mijn studieresultaten gingen daarna snel omhoog, zodat het misschien toch klopt dat mensen met een bril intelligenter zijn.

Niet zo lang geleden gaf ik een aantal jaren achtereen het allereerste psychologiecollege voor kakelverse eerstejaars, om negen uur maandagochtend. Ik kwam er al snel achter dat alles wat mij vanzelfsprekend leek, voor hen wereldvreemd was. Verwijzingen naar auteurs die mijn boekenkasten vulden, historische kennis, ironische terzijdes, ja zelfs een flink deel van mijn vocabulaire was aan hen niet besteed. Gelukkig geneerden ze zich niet om hun onkunde met me te delen (‘meneer, wat is erudiet?’).

Studenten worden steeds dommer, menen sommige collega’s, maar hoewel ik een overtuigd cultuurpessimist ben, weiger ik dat te geloven. Wel zijn ze in de loop der jaren steeds langer geworden. Een groot deel van mijn leven was ik overal de langste, maar tegenwoordig kunnen heel wat eerstejaars me recht in de ogen kijken. Vooral bij meisjes valt me dat op. Mijn eerste vriendinnetje stond altijd op een kleine verhoging als we in het fietsenhok stonden te vrijen. Dan pasten we beter (het heeft me bovendien behoed voor chronische nekklachten). Nu zou ik best nog eens met zo’n hedendaagse mooie grote meid willen zoenen. Stevig met beide benen op de grond, desnoods in een fietsenhok. Maar helaas, mijn vrouw wil het niet hebben.

En ze zijn steeds jonger geworden. Nou ja, ik ben zelf de jongste niet meer en het kan niet anders of dat vergroot de afstand. Ik merk het ook in de omgang, want werd ik in het begin nog wel eens getutoyeerd, tegenwoordig haalt vrijwel niemand dat nog in zijn hoofd en ben ik definitief een ‘meneer’ geworden. Net toen ik dacht dat daarmee de afstand wellicht onoverbrugbaar was, realiseerde ik me dat mijn kinderen steeds meer de leeftijd van de eerstejaars naderen. De verschillen worden daarmee niet in één klap opgeheven, maar het maakt ze op een bepaalde manier wel heel vertrouwd.

Hoe dan ook, we zullen het ook dit jaar weer met elkaar moeten zien te redden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here