Pas op, het lezen van deze column kan gevoelens van onveiligheid oproepen

Iedereen wil veiligheid. Maar als dat betekent dat kritische opmerkingen over veiligheid al als onveilig worden ervaren, dan smoor je elke discussie in de kiem, betoogt columnist Gerrit Breeuwsma.

Veiligheid is op het eerste gezicht iets waar je maar moeilijk te veel van kunt hebben en lijkt altijd te prevaleren boven onveiligheid. Veel maatschappelijke inspanningen zijn gericht op het vergroten van veiligheid en tegengaan van onveilige situaties. In ons dagelijks leven gaat er dan ook geen dag voorbij of we komen in aanraking met allerlei veiligheidsmaatregelen.

Het meest concreet is dat in het fysieke domein, waar we met hulpmiddelen – van fietshelm tot autogordel – proberen veiligheid te optimaliseren. Maar ook in het intermenselijk verkeer proberen we het te waarborgen, door middel van afspraken, etiquette en fatsoensregels.

Dit allemaal niet zonder succes, want bij wat er allemaal mis zou kunnen gaan, gaat er best veel goed. We kunnen dan ook stellen dat we in een veiligheidsmaatschappij leven waar we ons, als de nood aan de man komt, gelukkig mee mogen prijzen (de airbag functioneerde, de verzekeringsmaatschappij betaalde uit).

Toch zit er ook een keerzijde aan het streven naar veiligheid. Dat wil zeggen, het terugdringen van onveiligheid gaat vrijwel altijd gepaard met het inperken van vrijheid. Heel zichtbaar is dat in de manier waarop we kinderen opvoeden en onderwerpen aan veiligheidsmaatregelen die hun speelruimte – letterlijk en figuurlijk – inperken.

Het terugdringen van onveiligheid gaat vrijwel altijd gepaard met het inperken van vrijheid

De afgelopen honderd jaar mochten kinderen steeds minder ver van huis, kregen ze steeds minder de gelegenheid zich aan toezicht van volwassenen te onttrekken en werden ze steeds vaker gecontroleerd door volwassenen (met leerlingvolgsystemen of locatiebepalingen op de telefoon). Met ‘curlingouders’ die hun kinderen steeds uit de wind houden, doen we echter de weerbaarheid van kinderen te kort.

Onze ‘veiligheidsbegeerte’, zoals de filosoof Gerben Bakker het in zijn boek Dansen met de hydra typeert, schept een samenleving waarin risicomanagement domineert ten koste van onze vrijheid, waarbij dat, iedere keer als het mis gaat, resulteert in de roep om meer veiligheid.

Hoewel de universiteit bij uitstek gebaat is bij (academische) vrijheid, moeten we constateren dat het nastreven van veiligheid ook daar terrein wint. Natuurlijk dienen medewerkers, promovendi en studenten met respect bejegend te worden en moeten misstanden aan de kaak worden gesteld.

Maar als we ons op de universiteit alleen nog maar veilig voelen als iedereen praat en denkt zoals wij zelf of wanneer kritische opmerkingen over veiligheid al als onveilig worden ervaren, dan is er iets mis en smoor je iedere mogelijkheid tot discussie in de kiem.

juist door het stellen van ongemakkelijke vragen is het mogelijk om alles wat je niet aanstaat te veranderen

Soms knaagt de veiligheidsbegeerte wel heel erg aan de stam van de academische vrijheid. Zo schrijft hoogleraar gezondheidscommunicatie Bas van den Putte (UvA) in een opiniestuk in universiteitskrant Folia van de UvA dat hij en zijn collega’s regelmatig klachten krijgen van studenten die zich gestrest voelen wanneer hen een vraag wordt gesteld.

In cursusevaluaties, zo schrijft hij verder, laten ze weten ‘dat de docent hierdoor een onveilig klimaat creëert en totaal ongeschikt is om les te geven’.

Dat zo’n evaluatie ook weleens een gevoel van onveiligheid bij docenten zou kunnen bewerkstelligen, laat ik dan maar even voor wat het is. Dat studenten überhaupt zo verdraaid weinig vragen hebben (afgezien van de vraag naar proeftentamens) en dat je als docent soms alle zeilen moet bijzetten om iets aan respons te krijgen, lijkt mij echter wel een probleem.

In navolging van het filosofische werk van Hannah Arendt betoogt Gerben Bakker dat het juist door het stellen van ongemakkelijke vragen mogelijk is om alles wat je niet aanstaat te veranderen. Maar daar is wel moed voor nodig en een publieke ruimte die daar gelegenheid toe geeft. De universiteit zou bij uitstek zo’n ruimte moeten zijn.

Kortom, als u de moed hebt voor vragen, hoor ik het wel. Voor meer onveiligheid: zie de rest van de wereld.

GERRIT BREEUWSMA

2 REACTIES

  1. Dat heeft Gerrit toch mooi geflikt, dat C k het voor het eerst ( grotendeels) eens is met een stuk van Gerrit.
    Excuses, heer Breeuwsma, ik ben geen collega van u, en mag u derhalve niet met uw voornaam aanspreken.
    Mooi, dat C k wel een collega van u is. Jammer alleen, dat ze zich zo onveilig waant, dat ze een pseudoniem gebruikt.
    Ik onderteken met mijn echte naam. Groetnis út Gryksjerk.

  2. Wow, voor het eerst ben ik het (grotendeels) eens met een column van Gerrit Breeuwsma.

    Alleen: ‘Soms knaagt de veiligheidsbegeerte wel heel erg aan de stam van de academische vrijheid. Zo schrijft hoogleraar gezondheidscommunicatie Bas van den Putte (UvA) in een opiniestuk in universiteitskrant Folia van de UvA dat hij en zijn collega’s regelmatig klachten krijgen van studenten die zich gestrest voelen wanneer hen een vraag wordt gesteld.’ <- ik snap niet helemaal hoe dit voorbeeld gelinkt is aan academische vrijheid, tenzij je dit begrip breder trekt en daarbij ook de verzorging van colleges meeneemt. Los daarvan is het natuurlijk van de zotte dat studenten 'het gestresst voelen door een vraag' projecteren op de docent en dit zelfs invullen bij een vakevaluatie, tenzij(!) de betreffende docent iemand voor schut zet om wat voor reden dan ook. Maar dan moet het daar over gaan in de evaluatie en niet over het enkel stellen van een vraag, alsjeblieft zeg.

    Helemaal eens met wat je schrijft over het belang van ongemakkelijke vragen durven stellen. Maar dan ben je soms wel 'die lastige student', zelfs als je heel constructief communiceert. Vermoedelijk omdat het zo'n beladen onderwerp is geworden, waardoor een docent zich wellicht ook onzeker kan voelen over wat wel/niet oké is. Mijn tip: blijf constructief en open! Daarmee werken we juist ook toe naar een aanspreekcultuur, dat willen we toch?

    In veel recente opiniestukken lees ik dat het begrip 'veiligheid' misplaatst zou zijn in deze context. Ik ben het hier absoluut niet mee eens. Hoewel er (gelukkig) naar mijn weten niet vaak situaties ontstaan tijdens college en/of op de werkvloer waarbij er sprake is van expliciete (fysieke) onveiligheid, doet 'veiligheid' als begrip mijns inziens juist heel goed recht aan wat er 'onder de oppervlakte' afspeelt. Met daarbij de opmerking dat het voor de persoon die in de ogen van de ander 'een onveilig klimaat' creëert heel onveilig(!) kan zijn dat er buiten diegene om geklaagd wordt bij een derde partij. Zelf heb ik ooit als student in de ogen van een medestudent 'veel te fel gedebatteerd' tijdens een les waardoor die persoon achteraf overstuur was, waar ik uiteindelijk via via via achterkwam (en het tot de dag van vandaag nooit tegen mij is gezegd door die persoon). Het is enerzijds te begrijpen dat er in dergelijke gevallen contact wordt gezocht met een studieadviseur, een geïrriteerde vakevaluatie volgt of op een of andere manier over geklaagd wordt, anderzijds moet je – of je nou werknemer bent of student – altijd reflecteren op je eigen ervaring en desnoods ergens op terugkomen. De gepercipieerde 'dader' vind het misschien ook niet leuk dat het een dergelijke reactie opriep.

    Een ander relevant voorbeeld – over aanspreekcultuur gesproken – is het benoemen van sociaal onwenselijk gedrag. In het verleden heb ik een in mijn ogen vervelende hoogleraar subtiel gevraagd of hij wel in de gaten had dat hij zijn collega's de hele tijd onderbrak als ze aan het woord waren. Hij had dat niet door van zichzelf (zei hij), maar vanaf dat moment is het – in elk geval voor korte tijd – gestopt. Wat je in plaats daarvan veel ziet in organisaties vandaag de dag, is dat er vervolgens geroddeld wordt over de gedragingen van die persoon. Dat is pas sociaal onveilig! Niet aanspreken, maar achter de rug om tegen iedereen over iets klagen; verschrikkelijk gewoon. Overigens is dit een mild voorbeeld, lastiger wordt het uiteraard met grensoverschrijdend gedrag (waarbij de term 'veiligheid' al helemaal(!) niet betwist zou moeten worden).

    Een ander, laatste voorbeeld (dank Gerrit, door jouw stuk kan ik nu mijn ei kwijt): sociale onveiligheid heeft ook te maken met buitensluiting en framing. Ooit kwam ik net in een nieuwe (universitaire) werkomgeving te werken, waarbij ik als nieuwe collega het een beetje spannend vond kennis te maken met het bestaande team. Ik ging zitten, een vrouwelijke collega keek naar mij, draaide haar hoofd terug naar een andere collega en zei heel luid: 'Och, ik vind het toch altijd zó overdreven als mensen moeite doen voor hun uiterlijk, ja, daar besteed je je tijd toch niet aan?' (spoiler alert: ik had mijn best gedaan die ochtend!). Vervolgens hield ik me wat stil, want tja, een warm welkom was ver te zoeken en als nieuwe collega zou je jezelf mijns inziens niet verdedigend moeten hoeven presenteren. Later werd vervolgens door sommigen wel eens afgevraagd 'of ik wel sociaal was'. Het feit dat iemand vind dat je geen moeite zou moeten steken in je uiterlijk is niet onveilig an sich, maar de combinatie van hetgeen beschreven in deze pseudo-antropologische observatie raakt mijns inziens zeer zeker aan de vraag over sociale veiligheid. En ook aan de grotere vraag, meer in het algemeen genomen, waarom er soms met scheve ogen gekeken wordt naar vrouwelijke werknemers in een universitaire setting die er – om wat voor reden dan ook – gewoon leuk uit willen zien. 'Slim zijn én mooi zijn? Dat mag niet!'

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Reacties met een link worden beoordeeld en kunnen worden geweigerd. / Comments containing a link will be reviewed and may not be published.

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in