Studenten

Waar zijn die miljoenen gebleven? (deel 4)

Meer studenten, niet meer geld

Studenten die hun basisbeurs kwijtraakten, zouden er beter onderwijs voor terug krijgen. Maar door de sterke groei van het aantal studenten, vooral uit het buitenland, blijkt het geld dat beschikbaar kwam een druppel op de gloeiende plaat. Deel 4 van onze serie over de basisbeurs.
Door Yvonne van de Meent
12 februari om 10:43 uur.
Laatst gewijzigd op 24 februari 2021
om 12:07 uur.
februari 12 at 10:43 AM.
Last modified on februari 24, 2021
at 12:07 PM.

De opleiding Politics, Psychology, Law & Economics (PPLE) van de Universiteit van Amsterdam is officieel erkend als kleinschalige, intensieve opleiding en mag daarom selecteren aan de poort en extra collegegeld vragen. De opleiding startte in 2014 met 88 eerstejaars en laat nu jaarlijks zo’n tweehonderd studenten toe.

Twee van de drie studenten komen uit het buitenland. Nederlanders en studenten uit EU-landen betalen dit studiejaar 4336 euro collegegeld, het dubbele van het wettelijke tarief. Studenten van buiten de EU – waarvoor universiteiten geen subsidie krijgen – zijn 13.300 euro kwijt.

Kortom, een opleiding voor de happy few die flink wat geld in het laatje brengt.

Maar de UvA heeft een deel van de opstartkosten van de opleiding betaald uit de voorinvesteringen en dat stoort Stefan Wirken, in 2015 voorzitter van de Landelijke Studentenvakbond (LSVb), nog steeds. ‘PPLE trekt als Engelstalige opleiding veel internationale studenten. Ik ben helemaal niet tegen internationalisering en buitenlandse studenten, maar het zijn wel Nederlandse studenten die hun basisbeurs ervoor hebben ingeleverd.’

Massaler en onpersoonlijker

Minister van Onderwijs Jet Bussemaker (PvdA) beloofde in 2015 alle studenten die hun basisbeurs kwijtraakten kleinschaliger en intensiever onderwijs. Het hoger onderwijs was in haar ogen door de spectaculaire groei in het eerste decennium van deze eeuw steeds massaler en onpersoonlijker geworden.

Tussen 2000 en 2010 kwamen er – tegen alle verwachtingen in – 180.000 studenten bij waardoor het totaal aantal uitkwam op 657.000, een groei van bijna 40 procent. 

Omdat de budgetten van universiteiten en hogescholen niet even hard meegroeiden, kwam de kwaliteit van het onderwijs in de verdrukking, analyseerde de commissie Toekomstbestendig Hoger Onderwijs in 2010.

De denktank onder leiding van oud-landbouwminister Cees Veerman adviseerde eindelijk eens serieus werk te maken van de ambitie om van Nederland een van de sterkste kenniseconomieën van de wereld te maken. Flink investeren in het hoger onderwijs was volgens de commissie de remedie tegen de economische crisis en ‘een bittere noodzaak gegeven de jarenlange onderinvesteringen.’

Kwaliteitsimpuls

Het Kabinet Rutte II dat eind 2012 aantrad, was het roerend met die analyse eens maar had zichzelf ook de opdracht gegeven 16 miljard euro te bezuinigen. Het geld voor de broodnodige kwaliteitsimpuls moest daarom uit de onderwijsbegroting van minister Bussemaker komen. En zo sneuvelde de basisbeurs.

Minder hoorcolleges, meer werkgroepen, meer individuele feedback, meer begeleiding

Maar studenten zouden er beter onderwijs voor terug krijgen. Minder hoorcolleges, meer werkgroepen, meer individuele feedback, vaker mondelinge tentamens, intensievere begeleiding. Daar zouden vierduizend extra docenten, die betaald konden worden met de honderden miljoenen van de wegbezuinigde basisbeurs, voor gaan zorgen.

Die vierduizend docenten, tutoren en studiebegeleiders zijn er gekomen. Bij de twaalf grote hogescholen zijn sinds de invoering van het leenstelsel 2055 voltijd docentbanen bij gekomen, een groei van 13 procent. De dertien universiteiten stelden samen zelfs 2258 nieuwe docenten aan, een toename van 20 procent.

Mooie cijfers. Maar de vraag blijft: Is het onderwijs daardoor kleinschaliger en persoonlijker geworden? Daar lijkt het dan weer niet op.

Stevig doorgegroeid

Het aantal studenten is sinds de introductie van het leenstelsel stevig doorgegroeid. In het studiejaar 2019/20 stonden er bijna 770.000 studenten ingeschreven bij een universiteit of hogeschool, ruim 67.000 meer dan in 2014.

Afgelopen september vestigde de instroom, mede dankzij de coronacrisis, weer nieuwe records. Dit studiejaar staan er in totaal meer dan 800.000 studenten ingeschreven. Ook de RUG groeide stevig. Die ging in een keer van 32.000 naar 36.000 studenten.

Probleem is: het aantal studenten aan de universiteiten groeit harder dan het aantal docenten, waardoor het aantal studenten per docent min of meer gelijk blijft. Van meer persoonlijke aandacht voor alle universitaire studenten is dus zeker geen sprake. Bij de meerderheid van de universiteiten wordt het onderwijs juist massaler.

Zeven van de dertien universiteiten kunnen de onstuimige studentengroei niet bijbenen. Ze nemen wel extra docenten aan, maar desondanks stijgt het aantal studenten per docent. Uitschieter is Tilburg University, waar het aantal docenten met 25 procent toenam maar het aantal studenten met 44 procent. Daardoor is het aantal studenten per docent met ruim vijftien procent gestegen.

Onstuimig

Bij slechts vier van de dertien universiteiten lijkt er iets terecht te komen van de beloofde intensivering van het onderwijs. De Universiteit Utrecht (UU) springt er in positieve zin uit: daar daalt het aantal studenten per docent met ruim 18 procent. Dat is niet omdat UU veel meer nieuwe docenten aanstelde dan de andere universiteiten, maar doordat de studentengroei daar beperkt bleef tot slechts 7 procent.

Als je concurrent groeit, moet je mee groeien. Als je dat niet doet, dalen je inkomsten

Het onderwijs is eerder massaler en onpersoonlijker geworden dan kleinschaliger en intensiever en dat hadden de politici die de basisbeurs opofferden kunnen zien aankomen. De commissie-Veerman die in 2010 aandrong op extra investeringen in het hoger onderwijs, adviseerde namelijk ook de studentgebonden financiering af te bouwen.

Dat systeem ‘zet aan tot het binnenhalen van zoveel mogelijk studenten en brengt instellingen ertoe studenten te verleiden met modieuze studierichtingen en voorrang te geven aan kwantiteit boven kwaliteit’, betoogde de denktank.

Geniepig

‘Het financieringssysteem zit heel geniepig in elkaar’, stelt de Leidse historicus Pieter Slaman, auteur van In de regel vrij, 100 jaar politiek rond onderwijs, cultuur en wetenschap dat bij het honderdjarig bestaan van het ministerie van Onderwijs in 2018 verscheen.

‘Sinds de jaren tachtig wordt het geld in het hoger onderwijs verdeeld op basis van het aantal studenten en het aantal diploma’s. Maar het budget ligt vast. Dus als je concurrent groeit, moet je mee groeien. Als je dat niet doet, dalen je inkomsten. Stilstand is achteruitgang in een groeiende markt waarin je om een gelijkblijvende pot met geld concurreert.’

De moordende concurrentie die daardoor is ontstaan, zorgt ervoor dat het aantal studenten jaar op jaar groeit. Het onderwijsbudget groeit ook, maar onvoldoende om het bedrag dat universiteiten en hogescholen per student ontvangen bij te benen. Om te voorkomen dat hun inkomsten dalen, moeten instellingen nog meer studenten werven en wordt het budget over nog meer studenten uitgesmeerd. 

Experiment

Om deze neerwaartse spiraal te doorbreken, adviseerde de commissie-Veerman de studentgebonden financiering geleidelijk te vervangen door bekostiging van onderwijsprestaties. In 2012 werd daar met de invoering van prestatieafspraken een begin mee gemaakt.

Maar universiteiten en hogescholen vonden het experiment waarbij ze na vier jaar werden afgerekend op zaken als verbetering van het studierendement of het aantal contacturen, absoluut niet voor herhaling vatbaar.

Dat geld had natuurlijk geoormerkt moeten worden

‘Ze vonden dat ze veel te veel verantwoording moesten afleggen. De discussies gingen altijd over te veel overheidscontrole,’ weet Stefan Wirken uit de tijd dat hij LSVb-voorzitter was.

‘De instellingen wilden meer vertrouwen van de overheid. Daarom is ook niet van tevoren vastgelegd waaraan het basisbeursgeld moet worden besteed. Dat geld had natuurlijk wel geoormerkt moeten worden. Je had bijvoorbeeld kunnen afspreken dat er alleen extra docenten aangenomen mochten worden.’

Internationals

De studentengroei bij de universiteiten is maar voor een deel te danken aan het binnenhalen van meer scholieren. ‘De groeispurt van de laatste jaren komt vooral door de vlucht die de internationalisering heeft genomen,’ stelt historicus Slaman.

De strijd om de student heeft zich naar het buitenland verplaatst. Sinds 2002 is het aantal internationale studenten bijna vertienvoudigd en elk jaar neemt de internationale instroom weer met zo’n 15 procent toe. In 2019 stonden er bij de universiteiten ruim 62.000 internationale studenten ingeschreven, een verdubbeling ten op zichten van 2014, het jaar voordat de basisbeurs werd afgeschaft.

Eén op de vijf universitaire studenten komt nu uit het buitenland (op de RUG ruimt 23 procent) en 70 procent van de internationals komt uit een EU-land. Die studenten tellen gewoon mee bij het verdelen van het onderwijsbudget en de basisbeursmiljoenen.

Dankzij hun steeds uitgebreidere Engelstalige opleidingsaanbod en met hulp van commerciële recruiters, blazen Nederlandse universiteiten inmiddels een aardig toontje mee op de internationale markt die voorheen werd gedomineerd door de Angelsaksische landen.

Dat presenteren de universiteiten graag als bewijs van de kwaliteit van hun onderwijs, maar in werkelijkheid maakt de toestroom uit het buitenland de spoeling alleen maar dunner. ‘We smeren de pot met geld over steeds meer studenten uit, daarmee zijn we het onderwijs juist aan het uithollen’, stelt Slaman.

Extra wrang

Het is extra wrang dat de basisbeursmiljoenen die bedoeld waren om die uitholling tot staan te brengen, worden ingezet voor het ontwikkelen van Engelstalige programma’s waarmee nog meer buitenlandse studenten geworven kunnen worden. Want de UvA was met Politics, Psychology, Law & Economics niet de enige.

De Vrije Universiteit Amsterdam kwam al snel na de start met een tegenhanger van PPLE, de kleinschalige en intensieve opleiding Philosophy, Politics & Economics (PPE). De Universiteit Twente pompte een deel van de voorinvesteringen in het University College voor Technology, Liberal Arts & Sciences, afgekort Atlas.

We smeren de pot met geld over steeds meer studenten uit

De Rijksuniversiteit Groningen reserveerde 5 miljoen euro van de voorinvesteringen voor het ontwikkelen van nieuwe Engelstalige masterprogramma’s en de Radboud Universiteit stak een paar miljoen van de voorinvesteringen in ‘internationalisering, masterinstroom en beurzen’.

En het blijft natuurlijk niet bij de aanloopkosten. Om de binnengehaalde buitenlandse studenten van onderwijs te voorzien, zijn niet alleen extra docenten nodig, maar ook nieuwe en grotere collegezalen en meer studiewerkplekken.

Grenzeloze markt

Historicus Pieter Slaman ziet het met toenemende bezorgdheid aan. ‘Toen het financieringssysteem werd bedacht, concurreerden de universiteiten nog op een afgebakende markt. Door de invoering van het bachelor/master-systeem is de buitenlandse markt open gegooid en daar zitten geen grenzen aan. Waar houdt het op?’ vraagt hij zich af.

‘Bij het afschaffen van de basisbeurs is tegen studenten gezegd: je krijgt er beter onderwijs voor terug. Dat is een mooi frame, maar in de vijf jaar die we besteden aan discussies of dat geld wel goed wordt besteed, zijn er weer tienduizenden studenten bijgekomen en is het onderwijs verder uitgehold’, zegt hij.

Het zou helpen als universiteiten stoppen met de grootschalige werving van internationale studenten. Slaman: ‘Maar ik durf onze rector niet te adviseren om hier als eerste mee te beginnen, want dan gaat de universiteit onderuit in de concurrentieslag.’

Met medewerking van Altan Erdogan, Laura ter Steege en Henk Strikkers

Waar is al dat geld gebleven?

Studenten moesten door het afschaffen van de basisbeurs geld lenen en zich diep in de schulden steken. In ruil daarvoor zou de kwaliteit van het onderwijs worden verbeterd. Maar wat is daarvan terechtgekomen?

Onder aanvoering van Folia, het journalistieke platform voor de Universiteit van Amsterdam, hebben de gezamenlijke universiteits- en hogeschoolbladen onderzocht hoe het geld is gebruikt dat is vrijgekomen door het afschaffen van de basisbeurs.

Dit is het derde deel van een serie onderzoeksverhalen, die mede mogelijk is gemaakt door het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek.

De volgende aflevering in deze serie verschijnt volgende week: ‘Studenten die meebeslissen over basisbeursmiljoenen, het was een prachtige theorie’

Deel 1 kun je hier lezen: Hoe de miljoenen van de basisbeurs verdampten
Deel 2 kun je hier lezen: Zo sneuvelde jouw basisbeurs
Deel 3 kun je hier lezen: Voorinvesteringen, een recept voor mislukking
Deel 4 kun je hier lezen: Meer studenten, niet meer geld
Deel 5 kun je hier lezen: Meepraten over de beursgelden? Kom nou