Opinie

Leven tussen de Nederlanders

Vriendelijk, maar niet je vriend

Leden van de internationale gemeenschap in Groningen die afkomstig zijn uit openhartigere culturen, hebben niet alleen in de donkere dagen van de winter de neiging om zichzelf af te keren van de samenleving. Marion Robinson, studente klinische neuropsychologie, stelt dat de assertiviteit en terughoudendheid van Nederlanders geen teken zijn van een geavanceerde, maar van een primitieve samenleving.
Door Marion Robinson / Vertaling door Sarah van Steenderen / Foto Traci White

Net als de vele niet-Nederlanders die mij voorgingen naar het hart van de tulpenhoofdstad van de wereld ontkom ik niet aan het feit dat de Nederlanders zichzelf ‘assertief’ vinden.

In Nederland betekent assertief dat een hoogleraar bits zegt dat je mening ‘nergens op slaat’, of dat een medestudent rücksichtslos zegt dat hij ‘geen tijd’ heeft om af te spreken voor een groepsproject, zich blijkbaar niet realiserend dat andere mensen dan dus twee keer zo hard moeten werken.

‘Ja’ of ‘Nee’

En dit zijn nog maar twee voorbeelden van deze eigenschap die zo vaak voorkomt bij veel interacties in Nederland, zowel in de wetenschap als bij de kraampjes op de Vismarkt. In mijn internationale oren klinken de gesprekken kortaf en robotachtig, staccato en emotieloos: er is bijna geen ruimte voor levendigheid of nuance in de steriele antwoorden ‘ja’ en ‘nee’.

Het enerverende lawaai van het eiland verkondigt schaamteloos: ’Hier wordt geleefd’

Ik ben opgegroeid op een eiland, en het verschil met de Nederlandse sociale interactie – of die nu kortstondig of langdurig is – is groot. Het zit hem in de korte glimlach en het norse knikje dat ik van zowel vreemden als kennissen krijg, in tegenstelling tot de vrolijke kreten, openhartige begroetingen, het gelach en het enerverende lawaai van het eiland dat schaamteloos verkondigt: ‘Hier wordt geleefd’. Ik merk het in mijn gesprekken met docenten en de vluchtige vriendschappen die ik heb, ontdaan van de hartelijkheid die gepaard gaat met gemeenschappelijkheid. Misschien klopt dat ook wel, want het Nederlandse concept van ‘maatschappelijke betrokkenheid’ lijkt niet meer te omvatten dan een saaie middag koffie drinken en roken in een café, waar de gesprekken zo oppervlakkig mogelijk blijven.

Hoeveel ik mijn best ook doe, ik realiseer me langzamerhand dat mijn gemis niet beschreven kan worden. Het moet worden ervaren. Ik hou mezelf voor dat deze openhartigheid misschien komt omdat er iets verloren gaat wanneer men zich in het Engels probeert uit te drukken als dat niet hun moedertaal is. Misschien zijn mijn interacties met de Nederlanders wel heel anders dan de interacties die ze onderling hebben.

Bits

Ik stel me voor dat ik me ook niet goed zou kunnen uitdrukken in een taal waar ik niet goed bekend mee ben. Als ik Spaans, Portugees of Duits probeer te praten, komt mijn gebrek aan kennis ongetwijfeld bits over – en zo klinken de Nederlanders voor mij op die momenten dat er een voelbare kloof ontstaat tussen spreker en luisteraar.

Maar hiermee probeer ik alleen maar mezelf te sussen. Mijn hypothese wordt onderuitgehaald door het feit dat de meeste Nederlands ongeveer vloeiend Engels spreken, en door het feit dat niet alleen Engelse moedertaalsprekers en andere internationals de Nederlandse neiging tot ‘assertiviteit’ ervaren, maar dat de Nederlanders die neiging zelf ook toegeven.

Ik ben een voorstander van het onvervalste contact dat assertiviteit met zich meebrengt

Maar ik ben wel een voorstander van openhartigheid. Als psychologiestudent zie ik de waarde in het uitdrukken van gedachten en ideeën, en ik heb met mijn eigen ogen de nadelen van een onuitgesproken waarheid gezien. Ik ben een voorstander van het onvervalste contact dat assertiviteit met zich meebrengt. In de hele wereld leren psychologen hun patiënten over de waarde van zelfverzekerdheid in de relatie met henzelf en anderen en hoe belangrijk dit is voor de geestelijke gezondheid.

Het is mij persoonlijk ook niet helemaal gelukt om meegaand en zachtaardig te zijn. Het wordt wel vaker gezegd dat de meest opstandige en non-conformistische mensen leven op Jamaica, het eiland waar ik vandaan kom. En ik kan me dan ook momenten in een niet al te ver verleden herinneren waar ik de kracht van mijn woorden zonder schromen heb losgelaten. Ik zal daarom ook nooit suggereren dat assertiviteit op zich slecht is.

Maar ik ben wel van mening dat het woord ‘assertief’ in de Nederlandse samenleving – en misschien ook wel in andere samenlevingen die waarde hechten aan ónafhankelijkheid in plaats van onderlinge afhankelijkheid – iets herbergt wat ik niet in één woord kan samenvatten. Wat het ook precies inhoudt, het is een hele andere manier van betrokkenheid tonen, een die wel heel erg lijkt op een gebrek aan empathie en die eigenlijk behoorlijk kwetsend – of zelfs primitief – is, zeker voor mensen die andere ideeën hebben over maatschappelijke betrokkenheid.

Maar verbale en sociale uitdrukkingskracht zijn niet de som van de verschillen die ik hier ervaar als student en doorreiziger. Deze openhartigheid is misschein juist een teken van individualisme, persoonlijke onafhankelijkheid en de onafhankelijkheid van de algehele cultuur hier. Dat werd erg duidelijk toen ik als student in het diepe werd gegooid en zelf ervoer hoe het was om met anderen samen te wonen.

Nederlanders zijn ‘vriendelijk’, maar ze zullen bijna nooit je vrienden worden

Ik had nog nooit eerder samengewoond met iemand die geen familielid was, dus het kan zijn dat ik de woonsituatie onbewust benaderde met mijn eigen ideeën over samenwonen, ervan uitgaande dat iedereen onvoorwaardelijk belang heeft bij elkaars welzijn. Maar dat was hier niet zo. In plaats daarvan waren de individuele grenzen duidelijk afgebakend. De onzichtbare, maar overduidelijke individuele ruimtes zijn streng gemarkeerd. Dit bevestigt de mening die veel buitenlandse studenten delen: dat Nederlanders heus wel ‘vriendelijk’ zijn, maar ze zullen bijna nooit je vrienden worden.

In deze rare en onthutsende realiteit waarin ik mijn buren niet ken – waarin ik niet weet wanneer ze ziek zijn en hulp nodig hebben, en waarin zij niet weten of ik wel genoeg eten heb en niet verga van de honger – vraag ik me af: wat houdt deze samenleving bijeen? Als mensen niet fatsoenlijk om elkaar geven, wat is dan de basis van een succesvolle samenleving?

Het is interessant dat men het in Nederland altijd heeft over inclusiviteit, openheid en het accepteren van elkaars verschillen, maar toch nog ten prooi valt aan de diepgewortelde ideeën van sociale scheiding en individualisme die lichamelijk, sociaal en/of emotioneel hun uitdrukking vinden. Voor de mensen die in deze cultuur leven is het misschien niet zo duidelijk, maar mensen die ermee in contact komen ervaren het erg sterk.

Om enig bewijs aan te leveren: het onmiskenbare effect van sociale en emotionele uitsluiting kan gezien worden bij een aantal studenten uit Oost-Europa, Azië en Afrika dat zich al snel weer uitschreef bij hun studie omdat ze, ondanks alle moeite die ze deden, niet om wisten te gaan met het gevoel niet welkom of geaccepteerd te zijn in hun eigen huis, en het gevoel niet thuis te horen in dit nieuwe land dat ze als hun nieuwe thuis zagen.

Andere manier van denken

De Faculteitsraad van Gedrags- en Maatschappijwetenschappen heeft recent over dit onderwerp gediscussieerd. Ik herinner me een aangrijpend gesprek dat ik had met een faculteitslid, dat met tranen in de ogen vertelde over een voormalig studente die zelfmoord had gepleegd nadat ze was teruggekeerd naar Azië. Nadat ze zich had aangepast aan de normen, verwachtingen en levensstijl in een nieuwe stad en een nieuw land, kon ze helaas haar plaats in haar eigen cultuur niet meer terugvinden.

Het gevaar zit hem in het gemak waarmee je je ineens in een bestaan bevindt waar de grenzen tussen assertiviteit en agressiviteit, of individualisme en collectivisme volledig vervaagd zijn. Als je even niet oplet, val je ten prooi aan de ongewenste aspecten van culturele integratie die een totaal andere manier van denken, gedrag en inzichten teweegbrengen.

Ik had laatst een moment waarin ik alleen maar gaf om mijn eigen noden, wensen en verlangens – ik bevond me wel in de samenleving, maar stond er volledig los van, ook van de mensen om me heen en van mijn vluchtige vrienden. Ik had me goed aangepast aan wat ik dacht dat de cultuur waarin ik me bevond van me verwachtte.

Maar ik werd al snel zat om zo aan de ‘oppervlakte’ te leven: de norse knikjes en korte glimlachen konden me slechts kort overtuigen dat dit de enige manier was waarop ik met de mensen om me heen om moest gaan, terwijl die misschien zelf ook wel uit hun individualistische bubbels wilden ontsnappen.

Ik begon me zorgen te maken over wat er zou gebeuren als ik thuis ziek werd. Zou het mij net zo vergaan als in de verhalen die ik had gehoord over mensen die stierven in hun huis en daar weken lagen omdat hun buren allemaal met zichzelf bezig waren in hun eigen individualistische ruimtes waar ze alleen maar om zichzelf gaven?

Ik kwam in opstand tegen de overgave en liet me niet meer meeslepen door het individualisme

Ik besloot dat het ontkennen van de eigenschappen die de basis vormden voor mijn persoonlijkheid nooit tot iets goeds kon leiden. En dus kwam ik in opstand tegen de overgave en liet me niet meer meeslepen door het individualisme.

Ik begon opzettelijk oogcontact te zoeken met andere mensen in de bus of trein. Ik zei hardop ‘Hallo!’ tegen ze en dwong ze tot het aangaan van contact. Ik ben in mijn eentje een queeste begonnen om de status quo te doorbreken: ik stap op politieagenten af om een praatje met ze te maken en hun paarden te aaien; ik maak grapjes met de persoon achter de kassa in de supermarkt; ik praat met daklozen, luister naar hun grapjes en de verhalen over hoe ze elke dag door de stad lopen; ik bied aan een man in een rolstoel te duwen; en een dezer dagen, wanneer ik denk dat ze me niet zullen aanzien voor een halve zool, bel ik aan bij mijn buren en nodig ik ze uit voor een zondagse maaltijd.

Assertief of primitief?

Ik heb genoeg geleerd van psychologie en het leven dat ik ondanks de illusie van onafhankelijkheid in de Nederlandse samenleving, ondanks het feit dat mijn buitenlandse vrienden zich afgewezen voelden omdat niemand hun uitnodiging accepteerde, ondanks de dappere internationals die hun gevoelens van isolatie in deze opwindende stad openbaar maakten, nog altijd geloof dat mensen inherent sociale wezens zijn en daarom allemaal dezelfde noden hebben. Misschien wel het enige verschil is de manier waarop ze dit uitdrukken.

Dus op dagen dat de stilte te veel op isolatie begint te lijken en de grenzen van de ruimte waarin ik me dien af te sluiten te duidelijk worden, stel ik me voor dat die assertiviteit een bewuste poging is om los te breken van de door de cultuur opgelegde onafhankelijkheid en individualisme, ten gunste van iets dat meer lijkt op onderlinge afhankelijkheid en doelbewuste betrokkenheid met elkaar.

Ik hoorde ooit dat hoe geavanceerder een samenleving wordt, hoe minder de mensen in die samenleving elkaar nodig hebben. Ik vraag me af of we wegvluchten van een primitieve samenleving of dat we ernaartoe leven. Of misschien is dit al wel de primitieve samenleving.

3 REACTIES

  1. Volgens mij is dit niet typerend voor “Nederlanderschap” maar voor “hoog-opgeleide, jonge mensen in een stadse omgeving”. In elk willekeurig dorp is al meer verbondenheid tussen buren, omdat je weet dat ze niet over 3 jaar (of eerder) weer vertrokken zijn. Je merkt het zelfs al in de ‘volksbuurten’, waar studenten en stadjers meer door elkaar heen wonen. Studenten zijn vaak niet de aanjagers van leuk burencontact, die hebben wel andere dingen aan hun hoofd, zoals het balanceren van de driehoek studie-werk-sociaal leven. Verder kan ik me vinden in wat Pieter hieronder heeft geschreven, veel anekdotisch bewijs, maar wellicht met een (kleine) kern van waarheid (in sommige gevallen).

    Daarnaast snap ik die koppeling naar primitieve samenleving niet. Juist in de oertijd waren mensen super sociaal en afhankelijk van elkaar voor het voorbestaan. In je eentje kun je geen mammoet of oer-hert jagen. Individualisme is niet primitief.

  2. Je maakt een karikatuur van de Nederlandse samenleving en dat is jammer, want dit had best een interessant stuk kunnen zijn. Het lijkt er op dat je stuk sterk gebaseerd is op persoonlijke ervaringen, die niet per definitie representatief zijn voor de samenleving als geheel. Om een voorbeeldje te geven: mijn ervaringen in een studentenhuis zijn totaal anders. Wij liepen gewoon elkaars kamer binnen en de onderlingen betrokkenheid was groot. We waren bevriend met de buren en hadden elkaars huissleutel.

    Het verschil tussen Nederland (zeker het noorden) en Jamaica is misschien dat het hier wat langer duurt voordat je er goed tussen zit, Nederlanders zijn over het algemeen inderdaad wat terughoudend. Maar als je er éénmaal tussen zit hoor je er ook echt bij. Als ik jou was zou ik eens ergens als vrijwilliger aan de slag gaan of me aansluiten bij een sportvereniging of iets dergelijks. Hopelijk kom je er dan achter dat de maatschappelijke betrokkenheid hier toch wel iets meer blijkt te omvatten dan een saaie middag koffie drinken of roken in een café. Je queeste is in ieder geval een goed begin. :)

  3. Mooi verhaal en gelukkig is niet iedereen in Nederland zoals je beschrijft! Dapper van de praatjes, begroetingen en glimlachen die je nu uitdeelt! Ik weet zeker dat om voorgenoemde reden je binnenkort een keer succes zult hebben! Anders hierbij alvast een welgemeende :).

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Reacties met een of meerdere links worden niet gepubliceerd.

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in