Universiteit

De ramen van het Universiteitsmuseum

Meekijken met glaskunstenaars

De monumentale glas-in-loodramen van het Universiteitsmuseum zijn er slecht aan toe. De Groningse glazeniers Ballast en Bonekamp restaureren ze met technieken die al 600 jaar oud zijn.
Tekst en foto’s Christien Boomsma

Het heeft bíjna de honderd jaar gehaald. Nog een jaartje extra en het grote gebrandschilderde raam in het Universiteitsmuseum had een volle eeuw op zijn plek gehangen. Maar op dit moment zit halverwege het monumentale trappenhuis van het museum een dichtgetimmerd gat van een paar meter hoog. De dertien panelen die de afbeelding vormen, liggen in stukken en delen in restauratieatelier Ballast en Bonekamp aan de Turfsingel. Nog maar net op tijd.

‘Kijk!’ zegt Irma Ballast. ‘Daar! Zie je al die kleine scheurtjes in het glas? Dat komt door de brugstaven die zijn gaan oxideren.’

Het was slimmer geweest als de metalen roedes die de ramen op hun plek houden van messing gemaakt waren. Want ijzer gaat roesten en roest neemt veel meer ruimte in dan ijzer. Het geoxideerde metaal drukt tegen het glas, steeds een beetje harder. Tot de druk te groot wordt en het glas breekt. Met piepkleine haarscheurtjes over de hele lengte van het glas als gevolg. ‘Doodzonde.’

Maar daar maakte men zich in 1919, toen de door de bekende glazenier Louis Franciscus Asperlagh gemaakte voorstelling werd geplaatst, nog niet zo druk om. Zelfs RUG-erfgoeddeskundige René Bosscher, die de ramen bekeek vlak voor het begin van het groot onderhoud van het Universiteitsmuseum, had het niet opgemerkt. ‘Het oogde alsof ze er nog best bijhingen’, zegt hij, terwijl hij zich bezorgd over het glas buigt.

Daar denken de restaurateurs Ballast en haar collega Rens Bonekamp toch anders over. De staat van de ramen is ‘matig tot slecht’, zegt Bonekamp tegen Bosscher, die vandaag komt kijken hoe de restauratie van de monumentale ramen verloopt.

Niet alleen zitten er scheuren in het glas, er ontbreken soms ook deeltjes. Ook de loodverbindingen zijn verzwakt. Als je daar te lang niets aan doet, dan is het wachten op het moment dat het hele zaakje naar beneden komt.

Maar gelukkig is dat níet gebeurd. Want dit glas-in-loodraam is een bijzonder stuk. Bovenin het raam is het stadswapen van Groningen te zien, samen met symbolen voor de verschillende faculteiten. Daaronder staan twee vrouwen: de ene verbeeldt de RUG, de ander Minerva, de godin van de wijsheid. Onder de ‘universiteit’ een afbeelding van een haan – waakzaamheid betekent dat, verstand, maar ook de overwinning van licht op het duister. Onder Minerva staat een uil – wijsheid.

Maker Asperlagh was meer dan een simpele glazenier, zegt Bonekamp. ‘Hij was een kunstenaar.’ Dat zie je aan de handen, de schaduwwerking in de gezichten, de details. Hij was bovendien een vakman die het glas ‘heel goed sneed’. ‘Hoe beter het gesneden is, hoe beter het geheel in elkaar zit’, zegt Bonekamp. Je ziet dat niet aan de buitenkant, want het lood verhult alle onvolkomenheden, maar zo’n slecht gesneden raam gaat veel minder lang mee.

Aan Bonekamp en Ballast de taak dit kwetsbare kunstwerk zo goed mogelijk op te knappen. ‘We proberen zoveel mogelijk in stand te houden’, zegt Bonekamp. ‘Vroeger werden vaak stukjes glas vervangen als ze gescheurd waren, nu lijmen we ze.’ Al helemaal als het gaat om delen van de afbeelding waarin duidelijk de hand van de kunstenaar te zien is.

Alleen als glas echt verloren gegaan is, kiezen de restaurateurs ervoor om het bij te maken. En dat doen ze op dezelfde manier als dat ook al in de middeleeuwen gebeurde. Irma Ballast wijst op het kastje boven een van de lichtbakken in de kelder. Daarin staan de kostbare metaaloxides die ze gebruiken om de juiste kleuren te bereiken.

‘Je mengt die metaaloxides met arabische gom, of soms met azijn’, legt ze uit, terwijl ze een mengseltje maakt om het te demonstreren en dat vervolgens op een glasplaatje kwast. ‘Dat breng je dan aan op het glas, waarna het de oven ingaat en de metaaloxides inbranden in het glas.’

Dat klinkt allemaal simpel, maar elke kleur vereist een verschillende temperatuur en een verschillende inbrandtijd. Pas als je glas weer uit de oven komt, weet je of je het goed hebt gedaan. En dan zijn er nog de verschillende diktes waarmee je de oxides aanbrengt – of juist niet, de verschillende technieken die verschillende effecten hebben.

Soms moet je het opgedroogde laagje wegkrabben bijvoorbeeld, als omgekeerd etsen. Het is ‘schilderen met licht’. ‘Als je erover nadenkt, hoe ze dat ooit deden – in houtovens, waarmee je de de temperatuur niet goed kunt regelen’, zegt Bonekamp. ‘Zelfs bij moderne ovens gaat het nog wel eens mis, laat staan toen.’

Maar voorlopig zijn ze daar nog niet aan toe. Op dit moment zijn Ballast en Bonekamp nog bezig de schade aan de dertien panelen in kaart te brengen, waarna ze ze deel voor deel uit elkaar halen en lijmen wat gelijmd moet worden. Voordat ze klaar zijn, zijn ze máánden verder. ‘Voor ieder paneel hebben we al gauw twintig werkdagen nodig’, schat Bonekamp.

Boscher fronst even. Die renovatie van het Universiteitsmuseum moet half november klaar zijn. Maar dat gaat dus niet lukken. ‘Want het moet goed gebeuren, natuurlijk.’

En dan?

Als de ruit teruggeplaatst wordt, gaat hij er alles aan doen om hem zo mooi mogelijk uit te laten komen, zegt Bosscher. Er komt een lamp op te staan, zodat hij altijd prachtig uitkomt. En die brugstaven? Die zijn straks van messing natuurlijk.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Reacties met een link worden beoordeeld en kunnen worden geweigerd. / Comments containing a link will be reviewed and may not be published.

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in