Universiteit

Geschiedenis van de RUG #2 (1876-1945)

1876 - 1945

Eerste slide: Voorpagina met Chapeau en kop1
Universiteit

Geschiedenis van de RUG #2 (1876-1945)

Brand, pestkoppen
& bedeesde dames

01-1 intro
De Groningse universiteit scheerde in 1876 langs de rand van de afgrond. Daarna begon een periode van hernieuwde bloei. Een tijd waarin het Academiegebouw afbrandde, Vindicat de burgerij pestte, schuchtere vrouwen doordrongen tot docentenkringen, coryfeeën zich druk maakten over telepathie en de dreigende oorlog de Groningers begon te beïnvloeden.
Door Christien Boomsma
1-2 tekst brand vervolg

1876 – 1945

‘De Akademie blijft!’ stond er in het telegram dat op vrijdag 17 maart binnenkwam bij de Provinciale Groninger Courant. Zojuist had de Tweede Kamer besloten om niet twee, maar drie universiteiten in stand te houden: Leiden, Utrecht én Groningen.

Vindicat gooide de plannen om een funus te houden – een academische rouwplechtigheid – in de vuilnisbak en ging voor plan B: een groot feest, met een serenade en een optocht door de binnenstad. Er was een uitvoering bij muzieksociëteit De Harmonie, de ondernemers boden de universiteit een receptie aan en er kwam een groot bal.

Jarenlang had de universiteit op het randje van de afgrond gebalanceerd. Er werd nauwelijks geïnvesteerd en het aantal studenten was teruggelopen tot 189. Maar nu kon de transformatie beginnen.

In de jaren die volgden, wist de universiteit – nu Ríjksuniversiteit – zich niet alleen te handhaven, maar zelfs tot bloei te komen. Er kwamen nieuwe, hypermoderne instituten. Wetenschappelijke grootheden als Heymans, Kapteyn en Zernike vonden hun weg naar de Universiteit van het Noorden, de studentenaantallen groeiden.

Over deze periode, van 1876 tot 1945, schreef hoogleraar geschiedenis Klaas van Berkel van de RUG het vuistdikke tweede deel van zijn driedelige epos (Universiteit van het Noorden) dat op 27 oktober wordt gepresenteerd. De UK koos vijf intrigerende momenten uit bijna 75 jaar geschiedenis.

02-1

1. De brand

augustus 1906

3-1 tekst brand

Halfslachtig geblust schildersbrandje

Het was een stom ongeluk, waardoor op 30 augustus 1906 het hart van de Groningse universiteit werd vernietigd. Het Academiegebouw brandde volledig uit door een halfslachtig geblust schildersbrandje op de zolder.

Uren na het incident laaiden de vlammen onverwacht weer op en de brand sloeg naar binnen. Een koetsier waarschuwde president-curator Carel Coenraad Geertsema die net om de hoek aan de Oude Boteringestraat woonde. Die rende naar binnen, maar trof de zolder stijf op slot. Alleen de bediende van hoogleraar zoölogie Van Ankum had de sleutel; de zolder was immers de plek waar een kostbare collectie opgezette dieren en dierlijke preparaten te zien waren.

Toen de brandweer eindelijk arriveerde en de deur forceerde, stond het museum al vol rook. Haastig uitgerolde brandslangen leverden echter maar een sneu straaltje water. De waterdruk bleek onvoldoende.

En dus moest Geertsema machteloos toekijken hoe hoe het vuur ‘knetterend en blazend’ kwam opzetten uit de zijzalen. De giraffe, de rinoceros, het paardenskelet en het ‘kleine maar nijdige tijgergeraamte’, gingen in vlammen op. ‘O, het was een spookachtig gezicht’, zei Geertsema later, ‘Maar we moesten weg, het werd te gevaarlijk.’

3-2 tekst brand vervolg

Persoonlijk drama

De hoogleraarsportretten werden naar buiten gesleept, de spullen uit de laboratoria gehaald, het archief – alles werd weggehaald. Maar het ‘moederhuis’, zoals Gerard Heymans het later noemde, de plek waar alle studenten en professoren elkaar ontmoetten, ging verloren.Voor zoöloog Van Ankum was het ook nog eens een persoonlijk drama. Sinds zijn aanstelling had hij al zijn energie gestoken in het vervolmaken van de collectie opgezette en geprepareerde dieren die Petrus Camper en Van Swinderen begonnen waren. Nog maar drie jaren daarvoor had hij in het kadaver van een aangespoelde witsnuitdolfijn een uniek embryo ontdekt. Het topstuk van de toch al indrukwekkende collectie.

Maar nu had hij van de ene dag op de andere maar één object over: een eekhoorntje onder een stolp dat hij toevallig mee naar huis had genomen. Van Ankum kwam de klap niet meer te boven en nam ontslag.

En toch. ‘Voor de universiteit als geheel was het een blessing in disguise’, zegt Klaas van Berkel. Want de regering, die nooit geld overhad om te investeren in de academie, kwam nu royaal over de brug. ‘Normaal zou er getraineerd zijn en uitgesteld. Maar nu moest ze wel.’

3-3 tekst brand vervolg 2

Splinternieuwe laboratoria

Dat was nodig ook. Het oude Academiegebouw was vijftig jaar eerder op een koopje gebouwd met geld van de gemeente – alweer, omdat het Rijk niet wilde betalen voor de zieltogende universiteit. Het pand was donker, veel te klein en miste allure. Ook de laboratoria waren te krap en voldeden niet aan de eisen van de moderne tijd, waarbij studenten én hoogleraren zelf onderzoek moesten doen.

De regering ging nu akkoord met een nieuw Academiegebouw dat bijna 220.000 gulden kostte. Tegelijk kwam er geld vrij om drie splinternieuwe laboratoria neer te zetten.
‘De brand versnelde zo de diaspora, waarbij de universiteit uitwaaierde over de stad’, zegt Van Berkel. ‘Dat zie je in andere steden ook gebeuren, maar in Groningen is het in veel kortere tijd gerealiseerd.’

Alleen sneu was dat de afdeling die het zwaarst geleden had, géén nieuw pand kreeg. Van Berkel: ‘Zoölogie belandde in een kruip-door sluip-doorruimte aan de Reitemakersreige.’

4-1

2. De Harmonie

Vindicat op oorlogspad 1892

5-1 Vindicat

Io Vivat

Ook rond 1900 vonden de studenten van Vindicat het al leuk om de burgerij te sarren. Maar op 20 november 1892 liep het grondig uit de hand.

Die avond kwam een hele groep studenten ‘en corps’ muzieksociëteit De Harmonie binnen, waar zowel burgers als studenten graag concerten bezochten. Ze eisten op hoge toon dat het orkest Io Vivat zou spelen. En toen het orkest weigerde, barstten de studenten zelf los in gezang.

Nu was het niet de eerste keer dat de studenten ‘aanwezig’ waren. Ze vertikten het regelmatig om stil te zijn tijdens uitvoeringen en liepen in en uit om drankjes te halen. Al was het maar om te provoceren. En omdat de directie al verwacht had dat er die avond gedoe zou komen, stond de politie in de coulissen te wachten.

De studenten werden zonder pardon de zaal uitgezet. De directie royeerde hun lidmaatschap.

Maar ook Vindicat bleek verontwaardigd. De vereniging eiste genoegdoening van De Harmonie en toen die niet snel genoeg kwam, verbrak Vindicat alle banden. Voortaan was het lidmaatschap van De Harmonie niet meer verenigbaar met dat van Vindicat.

Nu hadden beide kampen een probleem. De Harmonie omdat ze afhankelijk was van de klandizie van de Vindicaters. Maar ook de studenten, omdat ze hun jaarlijkse studentenbal en soirees in De Harmonie hielden. Bovendien was de sociëteit uitgaansgelegenheid nummer één. Vindicat moest nu zelf feesten organiseren, en het was maar de vraag of dat zou lukken.

5-2 Vindicat

Huwbare dochters

Uiteindelijk moest een commissie onder leiding van een oud-burgemeester en Eerste Kamerlid aan te pas komen om een oplossing te verzinnen. Als compromis was De Harmonie bereid om alle onruststokers amnestie te geven, maar ze weigerde openbaar excuus, zoals Vindicat eiste. Pas toen werd voorgesteld dat niet de directie maar de léden van de sociëteit de amnestie zouden verlenen, ging Vindicat overstag.

‘Het was een incident in een lange reeks’, zegt Van Berkel. ‘Studenten hadden er een handje van de burgerij te irriteren. Dat was allemaal bravoure.’

Ze konden het zich ook gemakkelijk veroorloven. De studenten hadden immers warme banden met de burgerij. Ze waren gewilde huwelijkspartners. ‘Ieder jaar gaf Vindicat een studentenbal waar de huwbare dochters van de burgerij waren uitgenodigd. Jonge dames uit hogere kringen maakten daar vaak hun entree. Daar kwamen vaak leuke verbintenissen uit voort en de burgerij waardeerde dat zeer.’

Bovendien was de gevestigde macht – denk aan de burgemeesters en wethouders, of de hoogleraren – vaak bereid om een oogje toe te knijpen. ‘Ze kwamen immers uit dezelfde kringen voort’, zegt Van Berkel. ‘Het was een gesloten circuit.’

5-3 Vindicat

Ontgroening

Toch kwamen er langzaam maar zeker scheuren in de almacht van de vereniging. Decennialang werd het corps verondersteld alle studenten te vertegenwoordigen. En hoewel een fors percentage van de studenten nooit lid werd, kreeg alleen Vindicat uitnodigingen van de universiteit voor officiële evenementen. ‘Er werd hen onevenredig veel betekenis toegedicht.’

Maar na 1900 begon dat te veranderen. Nieuwe verenigingen staken de kop op, goedkoper dan het peperdure Vindicat en zonder de gevreesde ontgroeningen. En al verdwenen ze vaak na enkele jaren – denk aan De Groninger Studentenbond – het katholieke Albertus en gereformeerde VERA bleven.

‘Vindicat beschouwde studenten die niet lid werden als nobody’s, als zielige gevallen die hun studententijd niet echt hadden beleefd’, zegt Van Berkel. ‘Maar de groep niet-leden of nihilisten, nam toch langzaam toe.’

Er zijn maar weinig bronnen bewaard gebleven van deze belangrijke groep. Vandaar dat we er zo weinig van weten. Toch is Van Berkel ervan overtuigd dat er een bloeiend niet-corporaal gezelligheidsleven in Groningen bestond. ‘Sommige namen duiken op allerlei plekken op. Als organisator van lezingen, als vredesactivist, bij allerlei clubs. Ze waren misschien geen lid van Vindicat, maar ze waren zeker geen zielige gevallen.’

6-1

3. Bedeesde dames

Eindelijk toegelaten 1908

Tip 7-1 Bedeesde vrouwen

Eerste vrouwelijke lector

Marie Loke ontkwam er niet aan. De eerste vrouwelijke lector in Nederland – ze gaf Nieuwfrans – had nu eenmaal een voorbeeldfunctie. En dus gaf ze haar openbare les op 15 januari 1908 een feministisch tintje. Ze praatte over de nog onbekende, vrouwelijke schrijfster, Belle van Zuylen.

Misschien dat ze daarom ook voorzitter werd van de Groningse afdeling van de Nederlandsche Bond voor het Vrouwenkiesrecht in 1910. Maar daarmee hield de feministische strijdbaarheid wel een beetje op.

Ze leefde teruggetrokken en hield haar privéleven – ze woonde samen met een maatschappelijk werkster – strikt gescheiden van haar openbare optredens. Ook als voorzitter van de Bond liet ze nauwelijks van zich horen. Wel sloot ze zich aan bij de Thesofische Vereeniging. Maar toen ze daar kritiek op kreeg, stopte ze er ook meteen weer mee.

Net zo bescheiden was Jantina Tammes, die in 1911 de eerste vrouwelijke hoogleraar van Groningen werd. Ze werkte al een hele tijd als assistent voor de hoogleraar plantkunde, Moll, die al jaren zijn best deed om haar vooruit te helpen.

Tip 7-2 Bedeesde vrouwen

Geen ware dochters van Aletta

Zo probeerde hij haar over te halen in Brussel promoveren nadat ze een uitzonderlijk goed rapport had geschreven over de anatomie van de vlasstengel. Maar Tammes zag daarvan af, toen bleek dat ze dan aanvullende examens zou moeten afleggen.

Moll, die vond dat Tammes zonder meer professorabel was, liet het er niet bij zitten. Hij droeg haar in 1910 voor voor een eredoctoraat, maar faalde. Zijn collega’s vonden het ‘niet chic’ een collega uit Groningen voor te dragen. Een jaar later probeerde Moll haar dan maar bijzonder hoogleraar te maken, faalde weer en slaagde uiteindelijk in 1911 alsnog met een eredoctoraat. Maar pas toen Moll in 1912 ziek werd en zij hem verving, kreeg ze ook
daadwerkelijk betaald voor haar werk.

Ook Tammes was nauwelijks een boegbeeld voor het feminisme. Ze liep eerdere aanstellingen mis, omdat ze niet langer dan acht uur per dag wilde werken. Ze klaagde voortdurend over gezondheidsproblemen en sloeg een aanbod voor een prestigieuze buitenlandbeurs af omdat ze voor haar ouders moest zorgen. Het eredoctoraat, waar Moll zo zijn best voor had gedaan, liet ze opsturen. En zelfs toen ze eindelijk die echte aanstelling kreeg, kon ze door een ‘niet nader omschreven kwaal’ pas na de zomer aan de slag.

Inderdaad, geen ‘ware dochters van Aletta Jacobs’, beaamt Klaas van Berkel, die vermoedt dat psychische en niet fysieke klachten Tammes tegenhielden. ‘Die schuwheid!’ zegt hij. ‘Dat Tammes zelfs dat eredoctoraat niet ophaalde. Dan denk je: Meid, pák die kans.’

Tip 7-3 Bedeesde vrouwen

Veilig bij de grote kolomkachel

Maar, benadrukt Van Berkel, juist die bedeesde houding van deze vrouwen maakte dat ze geaccepteerd werden. Allebei waren ze zonder enige twijfel goed in hun vak. ‘Tammes was zelfs héél goed.’ Maar als ze ook nog de barricades waren opgegaan, waren ze veel te bedreigend geweest voor de gevestigde orde.

Tekenend is ook de manier waarop Tammes later vertelt over haar allereerste dag aan de RUG. Hoe ze werd opgevangen door de assistent van de hoogleraar. ‘En hij, de goedige, vriendelijke man de verlegen meisjes ziende, voelt zich geroepen ze te beschermen; die twee zoo alleen tusschen al die heeren’, zei ze. ‘De dames hoeven het goed niet hier op te hangen bij de heeren en ze hoeven ook niet te wachten in de collegekamer tot professor binnen komt; kom maar met in ’t laboratorium en dan zal ik wel waarschuwen as ’t tied is.’

Zij en een tweede ‘meisjesstudent’ zaten voortaan voor de colleges veilig bij de grote kolomkachel in de praktikumzaal totdat Bakker hen wenkte. ‘Dan gaan ze heel zacht en bedeesd in de collegezaal op de voorste bank zitten, slechts enkele seconden vóór dat de professor binnen komt.’

8-1

4. Paranormale praktijken

Onderzoek naar het bovennatuurlijke 1919

9-1

Telepatische gaven

Als een onderzoeker tegenwoordig career suicide wil plegen, dan moet hij zich gaan bezighouden met het paranormale. Toch stonden enkele van de meest gerespecteerde wetenschappers uit de geschiedenis van de RUG aan de wieg van de Studievereeniging voor Psychical Research op 4 oktober 1919. Godfather van de Nederlandse psychologie Gerard Heymans was voorzitter, filosoof Brugmans werd secretaris en sterrenkundige van wereldfaam Jacobus Cornelis Kapteyn was regulier bestuurslid.

Heymans nam zaken als telepathie, of het kunnen voorspellen van de toekomst heel serieus. Hij wilde er gedegen wetenschappelijk onderzoek naar doen. En misschien kwam dat ook wel omdat hij kennis had gemaakt met de Groningse student wis- en natuurkunde Abraham Sally van Dam. Van Dam beweerde telepathische gaven te hebben en Heymans haalde hem meteen naar zijn laboratorium.

Hij zette de student neer in een geluidsdichte, afgesloten kamer. Vervolgens concentreerde hij zich op één bepaald veld van een soort schaakbord, dat Van Dam vervolgens moest aanwijzen. Gek genoeg wees Van Dam veel vaker het juiste vak aan dan op basis van toeval mogelijk moest zijn. Het experiment leek behoorlijk waterdicht. Toch wezen latere onderzoekers op de mogelijkheid dat Van Dam toch signalen heeft gekregen, waaruit hij kon afleiden welk vak hij moest aanwijzen.

9-2

Alomvattend wereldbeeld

Voor Heymans en zijn volgelingen, waren de resultaten echter helemaal niet zo verbazingwekkend. Heymans’ grote theorie was die van het psychisch monisme. Dat stelde dat er een soort wereldziel bestaat, waarvan de ziel van het individu een soort tijdelijke verdichting was. ‘Het paste in zijn metafysica dat deze bewustzijnsgeesten in elkaar konden overvloeien’, zegt Van Berkel.

Heymans’ theorie had een enorme impact. In Groningen, maar ook ver daarbuiten. ‘Heymans was de laatste die kwam met een werkelijk allesomvattend wereldbeeld’, zegt Van Berkel. ‘De man had een dijk van een reputatie. Hij was dé vertegenwoordiger van wetenschappelijke integriteit, het geweten van iedereen. Hij streefde naar objectiviteit. De man was praktisch een heilige.’

Over het wereldbeeld van Kapteyn is niet veel bekend, maar hij was een goede vriend van Heymans en Van Berkel denkt dat hij ook het psychisch monisme aanhing, net als talloze andere wetenschappers uit Groningen.

9-3

Koud en onsympathiek

Maar dat maakte de heren niet minder kritisch en wetenschappelijk. Voor Heymans en de zijnen was het essentieel om paranormale verschijnselen ook experimenteel te onderzoeken. En dat bleek toch op problemen te stuiten. Van Dam bijvoorbeeld verloor na enige tijd zijn bijzondere talent. En ook de gewone spiritisten in de Vereniging begonnen zich te roeren. Ze vonden de onderzoekers veel te kritisch.

Tijdens een seance in het huis van hoogleraar rechten Simon van der Aa, kreeg het medium Alfred Vout Peters bijvoorbeeld geen voet aan de grond. ‘Er is een gevoel van koude hier, dat gij tot mij uitzendt’, zei hij. En daarom ried hij ook zijn collega’s aan om maar niet meer naar Groningen te komen. ‘Daar is de atmosfeer zoo koud en onsympathiek, dat niets te bereiken is.’

Heymans trad af als voorzitter in 1925. Zijn opvolger, Leo Polak, bleef ook maar twee jaar in functie. In de jaren daarna raakte de vereniging langzaam in verval. De Groningse wetenschappers hielden zich voortaan verre van het onderzoek naar het bovennatuurlijke.

10-1

5. Naderend onheil

De aanloop naar WO II 1933

11-1

Bunkervilla met oefenschietbaan

Er was in de jaren dertig in elk geval één hoogleraar in Groningen volledig voorbereid op de komende oorlog. Al in 1936 liet Heymans’ opvolger Brugmans als hoogleraar psychologie een bunkervilla bouwen, die hij de Esserkamp noemde.

Je ziet het er niet aan af, maar de miljoenenvilla aan de Hondsruglaan is zelfs bestand tegen een bomaanval. De dakkapel heeft bijvoorbeeld een in staal gevat betonnen schuifluik. De kelder heeft niet alleen allerlei brandwerend constructies, maar ook een oefenschietbaan. Er is zelfs een onderaardse vluchtgang naar de tuin.

Je kunt het een vooruitziende blik noemen, maar Van Berkel twijfelt ook een beetje aan de geestelijke gesteldheid van Brugmans. ‘Wat zegt dat, als iemand zo veel geld uitgeeft, voor zo’n illusie?’

Ondanks de situatie bij de Oosterburen, waar Hitler in 1933 aan de macht was gekomen, Joden massaal werden ontslagen en vaak al een goed heenkomen zochten, leefden de Groningers nog in twee werelden, zegt hij. ‘Er was toch het gevoel dat het wel los zou lopen en dat het een interne, Duitse zaak was.’

11-2

Prominente Duitse emigranten

Sterker nog: de gevolgen van de situatie in Duitsland waren positief voor de Groningers. In de jaren dertig kwam een grote stroom Duitse coryfeeën naar de RUG. ‘De crème de la crème van de wetenschappelijke wereld kwam voor een treinkaartje naar Groningen’, stelt Van Berkel. ‘En dan sliepen ze gewoon bij een hoogleraar thuis.’

Al in 1933 kwam de beroemde getaltheoreticus Edmund Landau voor enkele maanden naar Groningen. Hij gaf er een half jaar college en rondde een boek af dat ook in Groningen werd uitgegeven. Meteen na Landau vonden ook filosoof Helmuth Plessner, fysicus Gerhard Rathenau en de wiskundige Kurt Mahler kortere of langere tijd onderdak aan de RUG. ‘In de loop van 1934 en 1935 gaven een hele stoet vaak zeer prominente Duitse emigranten in Groningen lezingen’, schrijft Van Berkel. Een positieve ontwikkeling voor de internationalisering van de universiteit.

Maar na de Anschluss van 1938, de Duitse annexatie van Oostenrijk, begon de dreiging serieus te worden. Een groep Nederlandse fysici, onder wie de Groningse Dirk Coster, begon geld in te zamelen om Lise Meitner, die in Berlijn grensverleggend werk verrichte voor op het gebied van kernsplijting, naar Groningen te halen.

Hoewel ze nog niet voldoende geld hadden, besloten ze haar in juli 1938 toch op te halen. Zonder uitreisvisum, terwijl ze zich voordeed als ‘mevrouw Coster’, wisten de mannen haar over de grens te krijgen. Jammer genoeg liep de Groningse aanstelling mis, waardoor ze uiteindelijk doorreisde naar Zweden.

11-3

‘’t Is zover’

Ook de Joodse hoogleraar Leo Polak waarschuwde al geruime tijd voor de voor de dreigende oorlog. Een waar hij eerder vooral zijn zorg uitsprak en zijn Joodse collega’s probeerde de steunen, begon hij nu voorzorgsmaatregelen te treffen. In juli 1939 stuurde hij zijn grote collectie kostbare boeken naar Londen, waar het familiebedrijf van zijn vrouw een vestiging had.

Ondertussen liepen de studentenaantallen langzaam terug. Studenten én docenten werden gemobiliseerd. En nog hoopten en verwachtten velen dat Nederland de dans zou ontspringen. Gemobiliseerde medische studenten mochten terug naar Groningen om vanuit barakken en in uniform alsnog college te volgen.

Tot uiteindelijk op 10 mei Leo Polak het in zijn dagboek schreef. ‘’t Is zover.’ En enkele dagen later: ‘Vergif halen voor ons allen. Men kan niet weten, zelfbeschikking tot het einde.’

mobile versie
De Groningse universiteit scheerde in 1876 langs de rand van de afgrond. Daarna begon een periode van hernieuwde bloei. Een tijd waarin het Academiegebouw afbrandde, Vindicat de burgerij pestte, schuchtere vrouwen doordrongen tot docentenkringen, coryfeeën zich druk maakten over telepathie en de dreigende oorlog de Groningers begon te beïnvloeden.
Door Christien Boomsma

Dit is een eenvoudige versie speciaal voor mobiele weergave. De desktopversie bevat een rijk vormgegeven artikel.

‘De Akademie blijft!’ stond er in het telegram dat op vrijdag 17 maart binnenkwam bij de Provinciale Groninger Courant. Zojuist had de Tweede Kamer besloten om niet twee, maar drie universiteiten in stand te houden: Leiden, Utrecht én Groningen.

Vindicat gooide de plannen om een funus te houden – een academische rouwplechtigheid – in de vuilnisbak en ging voor plan B: een groot feest, met een serenade en een optocht door de binnenstad. Er was een uitvoering bij muzieksociëteit De Harmonie, de ondernemers boden de universiteit een receptie aan en er kwam een groot bal.

Transformatie

Jarenlang had de universiteit op het randje van de afgrond gebalanceerd. Er werd nauwelijks geïnvesteerd en het aantal studenten was teruggelopen tot 189. Maar nu kon de transformatie beginnen.

In de jaren die volgden wist de universiteit – nu Ríjksuniversiteit – zich niet alleen te handhaven, maar zelfs tot bloei te komen. Er kwamen nieuwe, hypermoderne instituten. Wetenschappelijke grootheden als Heymans, Kapteyn en Zernike vonden hun weg naar de Universiteit van het Noorden, de studentenaantallen groeiden.

Over deze periode, van 1876 tot 1945 schreef hoogleraar geschiedenis Klaas van Berkel van de RUG het vuistdikke tweede deel van zijn driedelige epos (Universiteit van het Noorden) dat op 27 oktober wordt gepresenteerd. De UK koos vijf intrigerende momenten uit bijna 75 jaar geschiedenis.

1. De Grote Brand

Het was een stom ongeluk, waardoor op 30 augustus 1906 het hart van de Groningse universiteit werd vernietigd. Het Academiegebouw brandde volledig uit door een halfslachtig geblust schildersbrandje op de zolder.

Uren na het incident laaiden de vlammen onverwacht weer op en de brand sloeg naar binnen. Een koetsier waarschuwde president-curator Carel Coenraad Geertsema die net om de hoek aan de Oude Boteringestraat woonde. Die rende naar binnen, maar trof de zolder stijf op slot. Alleen de bediende van hoogleraar zoölogie Van Ankum had de sleutel; de zolder was immers de plek waar een kostbare collectie opgezette dieren en dierlijke preparaten te zien waren.

Spookachtig gezicht

Toen de brandweer eindelijk arriveerde en de deur forceerde, stond het museum al vol rook. Haastig uitgerolde brandslangen leverden echter maar een sneu straaltje water. De waterdruk bleek onvoldoende.

En dus moest Geertsema machteloos toekijken hoe hoe het vuur ‘knetterend en blazend’ kwam opzetten uit de zijzalen. De giraffe, de rinoceros, het paardenskelet en het ‘kleine maar nijdige tijgergeraamte’, gingen in vlammen op. ‘O, het was een spookachtig gezicht’, zei Geertsema later, ‘Maar we moesten weg, het werd te gevaarlijk.’

De hoogleraarsportretten werden naar buiten gesleept, de spullen uit de laboratoria gehaald, het archief – alles werd weggehaald. Maar het ‘moederhuis’, zoals Gerard Heymans het later noemde, de plek waar alle studenten en professoren elkaar al ontmoetten, ging verloren.

Persoonlijk drama

Voor zoöloog Van Ankum was het ook nog eens een persoonlijk drama. Sinds zijn aanstelling had hij al zijn energie gestoken in het vervolmaken van de collectie opgezette en geprepareerde dieren die Petrus Camper en Van Swinderen begonnen waren. Nog maar drie jaren daarvoor had hij in het kadaver van een aangespoelde witsnuitdolfijn een uniek embryo ontdekt. Het topstuk van de toch al indrukwekkende collectie.

Maar nu had hij van de ene dag op de andere maar één object over: een eekhoorntje onder een stolp dat hij toevallig mee naar huis had genomen. Van Ankum kwam de klap niet meer te boven en nam ontslag.

En toch. ‘Voor de universiteit als geheel was het een blessing in disguise’, zegt Klaas van Berkel. Want de regering, die nooit geld overhad om te investeren in de academie, kwam nu royaal over de brug. ‘Normaal zou er getraineerd zijn en uitgesteld. Maar nu moesten ze wel.’

Splinternieuwe laboratoria

Dat was nodig ook. Het oude Academiegebouw was vijftig jaar eerder op een koopje gebouwd met geld van de gemeente – alweer, omdat het Rijk niet wilde betalen voor de zieltogende universiteit. Het pand was donker, veel te klein en miste de nodige allure.
Ook de laboratoria waren te krap en voldeden niet aan de eisen van de moderne tijd, waarbij studenten én hoogleraren zelf onderzoek moesten doen.

De regering ging nu akkoord met een nieuw Academiegebouw dat bijna 220.000 gulden kostte. Tegelijk kwam er geld vrij om drie splinternieuwe laboratoria neer te zetten.
‘De brand versnelde zo de diaspora, waarbij de universiteit uitwaaierde over de stad’, zegt Van Berkel. ‘Dat zie je in andere steden ook gebeuren, maar in Groningen is het in veel kortere tijd gerealiseerd.’

Alleen sneu was dat de afdeling die het zwaarst geleden had, géén nieuw pand kreeg. Van Berkel: ‘Zoölogie belandde in een kruip-door sluip-doorruimte aan de Reitemakersreige.’

2. Vindicat versus de ‘burgerij’

Ook rond 1900 vonden de studenten van Vindicat het al leuk om de burgerij te sarren. Maar op 20 november 1892 liep het grondig uit de hand.

Die avond kwam een hele groep studenten ‘en corps’ muzieksociëteit De Harmonie binnen, waar zowel burgers als studenten graag concerten bezochten. Ze eisten op hoge toon dat het orkest Io Vivat zou spelen. En toen het orkest weigerde, barstten de studenten zelf los in gezang.

Io Vivat

Nu was het niet de eerste keer dat de studenten ‘aanwezig’ waren. Ze vertikten het regelmatig om stil te zijn tijdens uitvoeringen en liepen in en uit om drankjes te halen. Al was het maar om te provoceren. En omdat de directie al verwacht had dat er die avond gedoe zou komen, stond de politie in de coulissen te wachten.

De studenten werden zonder pardon de zaal uitgezet. De directie royeerde hun lidmaatschap.

Maar ook Vindicat bleek verontwaardigd. De vereniging eiste genoegdoening van de De Harmonie en toen die niet snel genoeg kwam, verbrak Vindicat alle banden. Voortaan was lidmaatschap van De Harmonie niet meer verenigbaar met dat van Vindicat.

Bemiddeling

Nu hadden beide kanten een probleem. De Harmonie omdat ze afhankelijk waren van de klandizie van de Vindicaters. Maar de studenten, omdat ze hun jaarlijkse studentenbal en soirees in De Harmonie hielden. Bovendien was de sociëteit uitgaansgelegenheid nummer één. Vindicat moest nu zelf feesten organiseren, en het was maar de vraag of dat zou lukken.

Uiteindelijk moest een commissie onder leiding van een oud-burgemeester en Eerste Kamerlid aan te pas komen om een oplossing te verzinnen. Als compromis was De Harmonie bereid om alle onruststokers amnestie te geven, maar weigerde openbaar excuus, zoals Vindicat eiste. Pas toen werd voorgesteld dat niet de directie maar de léden van de sociëteit de amnestie zouden verlenen, ging Vindicat overstag.

‘Het was een incident in een lange reeks’, zegt Van Berkel. ‘Studenten hadden er een handje van de burgerij te irriteren. Dat was allemaal bravoure.’

Huwbare dochters

Ze konden het zich ook gemakkelijk veroorloven. De studenten hadden immers warme banden met de burgerij. Ze waren gewilde huwelijkspartners. ‘Ieder jaar gaf Vindicat een studentenbal waar de huwbare dochters van de burgerij waren uitgenodigd. Jonge dames uit hogere kringen maakten daar vaak hun entree. Daar kwamen vaak leuke verbintenissen uit voort en de burgerij waardeerde dat zeer.’

Bovendien was de gevestigde macht – denk aan de burgemeesters en wethouders, of de hoogleraren – vaak bereid om een oogje toe te knijpen. ‘Ze kwamen immers uit dezelfde kringen voort’, zegt Van Berkel. ‘Het was een gesloten circuit.’

Toch kwamen er langzaam maar zeker scheuren in de almacht van de vereniging. Decennialang werd het corps verondersteld alle studenten te vertegenwoordigen. En hoewel een fors percentage van de studenten nooit lid werd, kreeg alleen Vindicat uitnodigingen van de universiteit voor officiële evenementen. ‘Er werd hen onevenredig veel betekenis toegedicht.’

Ontgroening

Maar na 1900 begon dat te veranderen. Nieuwe verenigingen staken de kop op, goedkoper dan het peperdure Vindicat en zonder de gevreesde ontgroeningen. En al verdwenen ze vaak na enkele jaren – denk aan De Groninger Studentenbond – het katholieke Albertus en gereformeerde VERA bleven.

‘Vindicat beschouwde studenten die niet lid werden als nobody’s, als zielige gevallen die hun studententijd niet echt hadden beleefd’, zegt Van Berkel. ‘Maar de groep niet-leden of nihilisten, nam toch langzaam toe.’

Er zijn maar weinig bronnen bewaard gebleven van deze belangrijke groep. Vandaar dat we er zo weinig van weten. Toch is Van Berkel ervan overtuigd dat er een bloeiend niet-corporaal gezelligheidsleven in Groningen bestond. ‘Sommige namen duiken op allerlei plekken op. Als organisator van lezingen, als vredesactivist, bij allerlei clubs. Ze waren misschien geen lid van Vindicat, maar ze waren zeker geen zielige gevallen.’

3. De bedeesde dames

Marie Loke ontkwam er niet aan. De eerste vrouwelijke lector in Nederland – ze gaf Nieuwfrans – had nu eenmaal een voorbeeldfunctie. En dus gaf ze haar openbare les op 15 januari 1908 een feministisch tintje. Ze praatte over de nog onbekende, vrouwelijke schrijfster, Belle van Zuylen.

Misschien dat ze daarom voorzitter werd van de Groningse afdeling van de Nederlandsche Bond voor het Vrouwenkiesrecht in 1910. Maar daarmee hield de feministische strijdbaarheid wel een beetje op.

Ze leefde teruggetrokken en hield haar privéleven – ze woonde samen met een maatschappelijk werkster – strikt gescheiden van haar openbare optredens. Ook als voorzitter van de Bond liet ze nauwelijks van zich horen. Wel sloot ze zich aan bij de Thesofische Vereeniging. Maar toen ze daar kritiek op kreeg, stopte ze er ook meteen weer mee.

Aanvullende examens

Net zo bescheiden was Jantina Tammes, die in 1911 de eerste vrouwelijke hoogleraar van Groningen werd. Ze werkte al een hele tijd als assistent voor de hoogleraar plantkunde, Moll, die al jaren zijn best deed om haar vooruit te helpen.

Zo probeerde hij haar over te halen in Brussel promoveren nadat ze een uitzonderlijk goed rapport had geschreven over de anatomie van de vlasstengel. Maar Tammes zag daarvan af, toen bleek dat ze dan aanvullende examens zou moeten afleggen.

Moll, die vond dat Tammes zonder meer professorabel was, liet het er niet bij zitten. Hij droeg haar in 1910 voor voor een eredoctoraat, maar faalde. Zijn collega’s vonden het ‘niet chic’ een collega uit Groningen voor te dragen. Een jaar later probeerde Moll haar dan maar bijzonder hoogleraar te maken, faalde weer en slaagde uiteindelijk in 1911 alsnog met een eredoctoraat. Maar pas toen Moll in 1912 ziek werd en zij hem verving, kreeg ze ook
daadwerkelijk betaald voor haar werk.

Boegbeeld

Ook Tammes was nauwelijks een boegbeeld voor het feminisme. Ze liep eerdere aanstellingen mis, omdat ze niet langer dan acht uur per dag wilde werken. Ze klaagde voortdurend over gezondheidsproblemen en sloeg een aanbod voor een prestigieuze buitenlandbeurs af omdat ze voor haar ouders moest zorgen. Het eredoctoraat, waar Moll zo zijn best voor had gedaan, liet ze opsturen. En zelfs toen ze eindelijk die echte aanstelling kreeg, kon ze door een ‘niet nader omschreven kwaal’ pas na de zomer aan de slag.

Inderdaad, geen ‘ware dochters van Aletta Jacobs’, beaamt Klaas van Berkel, die vermoedt dat psychische en niet fysieke klachten Tammes tegenhielden. ‘Die schuwheid!’ zegt hij. ‘Dat Tammes zelfs dat eredoctoraat niet ophaalde. Dan denk je: Meid, pák die kans.’

Maar, benadrukt hij, juist die bedeesde houding van deze vrouwen maakte dat ze geaccepteerd werden. Allebei waren ze zonder enige twijfel goed in hun vak. ‘Tammes was zelfs héél goed.’ Maar als ze ook nog de barricades waren opgegaan, waren ze veel te bedreigend geweest voor de gevestigde orde.

Verlegen meisjes

Tekenend is ook de manier waarop Tammes later vertelt over haar allereerste dag aan de RUG. Hoe ze werd opgevangen door de assistent van de hoogleraar. ‘En hij, de goedige, vriendelijke man de verlegen meisjes ziende, voelt zich geroepen ze te beschermen; die twee zoo alleen tusschen al die heeren’, zei ze. ‘De dames hoeven het goed niet hier op te hangen bij de heeren en ze hoeven ook niet te wachten in de collegekamer tot professor binnen komt; kom maar met in ’t laboratorium en dan zal ik wel waarschuwen as ’t tied is.’

Zij en een tweede ‘meisjesstudent’ zaten voortaan voor de colleges veilig bij de grote kolomkachel in de praktikumzaal totdat Bakker hen wenkte. ‘Dan gaan ze heel zacht en bedeesd in de collegezaal op de voorste bank zitten, slechts enkele seconden vóór dat de professor binnen komt.’

4. Paranormale praktijken

Als een onderzoeker tegenwoordig career suicide wil plegen, dan moet hij zich gaan bezighouden met het paranormale. Toch stonden enkele van de meest gerespecteerde wetenschappers uit de geschiedenis van de RUG aan de wieg van de Studievereeniging voor Psychical Research op 4 oktober 1919. Godfather van de Nederlandse psychologie Gerard Heymans was voorzitter, filosoof Brugmans werd secretaris en sterrenkundige van wereldfaam Jacobus Cornelis Kapteyn was regulier bestuurslid.

Heymans nam zaken als telepathie, of het kunnen voorspellen van de toekomst heel serieus. Hij wilde er gedegen wetenschappelijk onderzoek naar doen. En misschien kwam dat ook wel omdat hij kennis had gemaakt met de Groningse student wis- en natuurkunde Abraham Sally van Dam. Van Dam beweerde telepathische gaven te hebben en Heymans haalde hem meteen naar zijn laboratorium.

Signalen

Hij zette de student neer in een geluidsdichte, afgesloten kamer. Vervolgens concentreerde hij zich op één bepaald veld van een soort schaakbord, dat Van Dam vervolgens moest aanwijzen. Gek genoeg wees Van Dam veel vaker het juiste vak aan dan op basis van toeval mogelijk moest zijn. Het experiment leek behoorlijk waterdicht. Toch wezen latere onderzoekers op de mogelijkheid dat Van Dam toch signalen heeft gekregen, waaruit hij kon afleiden welk vak hij moest aanwijzen.

Voor Heymans en zijn volgelingen waren de resultaten echter helemaal niet zo verbazingwekkend. Heymans’ grote theorie was die van het psychisch monisme. Dat stelde dat er een soort wereldziel bestaat, waarvan de ziel van het individu een soort tijdelijke verdichting was. ‘Het paste in zijn metafysica dat deze bewustzijnsgeesten in elkaar konden overvloeien’, zegt Van Berkel.

Heymans’ theorie had een enorme impact. In Groningen, maar ook ver daarbuiten. ‘Heymans was de laatste die kwam met een werkelijk allesomvattend wereldbeeld’, zegt Van Berkel. ‘De man had een dijk van een reputatie. Hij was dé vertegenwoordiger van wetenschappelijke inegriteit, het geweten van iedereen. Hij streefde naar objectiviteit. De man was praktisch een heilige.’

Spiritisten

Over het wereldbeeld van Kapteyn is niet veel bekend, maar hij was een goede vriend van Heymans en Van Berkel denkt dat hij ook het psychisch monisme aanhing, net als talloze andere wetenschappers uit Groningen.

Maar dat maakte de heren niet minder kritisch en wetenschappelijk. Voor Heymans en de zijnen was het essentieel om paranormale verschijnselen ook experimenteel te onderzoeken. En dat bleek toch op problemen te stuiten. Van Dam bijvoorbeeld verloor na enige tijd zijn bijzondere talent. En ook de gewone spiritisten in de Vereniging begonnen zich te roeren. Ze vonden de onderzoekers veel te kritisch.

Onsympathiek

Tijdens een seance in het huis van hoogleraar rechten Simon van der Aa, kreeg het medium Alfred Vout Peters bijvoorbeeld geen voet aan de grond. ‘Er is een gevoel van koude hier, dat gij tot mij uitzendt’, zei hij. En daarom ried hij ook zijn collega’s aan om maar niet meer naar Groningen te komen. ‘Daar is de atmosfeer zoo koud en onsympathiek, dat niets te bereiken is.

Heymans trad af als voorzitter in 1925. Zijn opvolger, Leo Polak, bleef ook maar twee jaar in functie. In de jaren daarna raakte de vereniging langzaam in verval. De Groningse wetenschappers hielden zich er voortaan verre van het onderzoek naar het bovennatuurlijke.

5. Naderend onheil

Er was in elk geval één hoogleraar in Groningen volledig voorbereid op de komende oorlog in de jaren dertig. Al in 1936 liet Heymans’ opvolger Brugmans als hoogleraar psychologie een bunkervilla bouwen, die hij de Esserkamp noemde.

Je ziet het er niet aan af, maar de miljoenenvilla aan de Hondsruglaan is zelfs bestand tegen een bomaanval. De dakkapel heeft bijvoorbeeld een in staal gevat betonnen schuifluik. De kelder heeft niet alleen allerlei brandwerend constructies, maar ook een oefenschietbaan. Er is zelfs een onderaardse vluchtgang naar de tuin.

Je kunt het een vooruitziende blik noemen, maar Van Berkel twijfelt ook een beetje aan de geestelijke gesteldheid van Brugmans. ‘Wat zegt dat, als iemand zo veel geld uitgeeft, voor zo’n illusie?’

Treinkaartje

Ondanks de situatie bij de Oosterburen, waar Hitler in 1933 aan de macht was gekomen, Joden massaal werden ontslagen en vaak al een goed heenkomen zochten, leefden de Groningers nog in twee werelden, zegt hij. ‘Er was toch het gevoel dat het wel los zou lopen en dat het een interne, Duitse zaak was.’

Sterker nog: de gevolgen van de situatie in Duitsland waren positief voor de Groningers. In de jaren dertig kwam een grote stroom Duitse coryfeeën naar de RUG. ‘De crème de la crème van de wetenschappelijke wereld kwam voor een treinkaartje naar Groningen’, stelt Van Berkel. ‘En dan sliepen ze gewoon bij een hoogleraar thuis.’

Al in 1933 kwam de beroemde getaltheoreticus Edmund Landau voor enkele maanden naar Groningen. Hij gaf er een half jaar college en rondde een boek af dat ook in Groningen werd uitgegeven. Meteen na Landau vonden ook filosoof Helmuth Plessner, fysicus Gerhard Rathenau en de wiskundige Kurt Mahler kortere of langere tijd onderdak aan de RUG. ‘In de loop van 1934 en 1935 gaven een hele stoet vaak zeer prominente Duitse emigranten in Groningen lezingen’, schrijft Van Berkel. Een positieve ontwikkeling voor de internationalisering van de universiteit.

Dreigende oorlog

Maar na de Anschluss van 1938, waarbij Duitsland Oostenrijk annexeerde, begon de dreiging serieus te worden. Een groep Nederlandse fysici, waaronder de Groningse Dirk Coster, begon geld in te zamelen om Lise Meitner, die in Berlijn grensverleggend werk verrichte voor op het gebied van kernsplijting, naar Groningen te halen.

Hoewel ze nog niet voldoende geld hadden, besloten ze haar in juli 1938 toch op te halen. Zonder uitreisvisum, terwijl ze zich voordeed als ‘mevrouw Coster’, wisten de mannen haar over de grens te krijgen. Jammer genoeg liep de Groningse aanstelling mis, waardoor ze uiteindelijk doorreisde naar Zweden.

Ook de Joodse hoogleraar Leo Polak waarschuwde al geruime tijd voor de voor de dreigende oorlog. Een waar hij eerder vooral zijn zorg uitsprak en zijn Joodse collega’s probeerde de steunen, begon hij nu voorzorgsmaatregelen te treffen. In juli 1939 stuurde hij zijn grote collectie kostbare boeken naar Londen, waar het familiebedrijf van zijn vrouw een vestiging had.

Vergif

Ondertussen liepen de studentenaantallen langzaam terug. Studenten én docenten werden gemobiliseerd. En nog hoopten en verwachtten velen dat Nederland de dans zou ontspringen. Gemobiliseerde medische studenten mochten terug naar Groningen om vanuit barakken en in uniform alsnog college te volgen.

Tot uiteindelijk op 10 mei Leo Polak het in zijn dagboek schreef. ‘’t Is zover.’ En enkele dagen later: ‘Vergif halen voor ons allen. Men kan niet weten, zelfbeschikking tot het einde.’

English

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Reacties met een link worden beoordeeld en kunnen worden geweigerd. / Comments containing a link will be reviewed and may not be published.

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in