Universiteit

Langs de graven van de RUG

Gedenk de denkers

Er liggen wel veertigduizend mensen begraven op de ‘luxe’ Groningse Zuiderbegraafplaats. Onder hen een flink aantal professoren, rectoren en hoogleraren van de RUG. Stadsgids en ‘begraafplaatsdeskundige’ Henk Bakker kent de plek als z’n broekzak, maar vindt nog altijd vergeten graven.
Door Freek Schueler en Christien Boomsma / Foto’s Marre Meijerink

Met gedreven pas loopt Bakker over de begraafplaats. Zo nu en dan blijft hij even stilstaan en bekijkt vluchtig wat stenen, of veegt met z’n hand wat zand van een grafsteen. Een opmerkelijk gezicht, voor een buitenstaander.

Twee dagen in de week rijdt Henk Bakker (64), geboren in Glimmen, op de stadsbus in Groningen. Leuk werk, vindt hij, maar veel liever geeft hij rondleidingen door Stad en Ommeland. Dat begon allemaal met bustochten langs de vele kunstwerken in het landschap. Nu, ruim twintig jaar later, geeft hij rondleidingen in alle soorten en maten. Van architectuur in de binnenstad tot beroemde Groningers op begraafplaatsen. Fietsend, varend, rijdend of te voet.

Jim Morrison

De Zuiderbegraafplaats fascineert Bakker. ‘Je kent Père-Lachaise wel, toch? Die Parijse begraafplaats waar beroemdheden zoals Jim Morrison liggen begraven. Je zou de Zuiderbegraafplaats de Père-Lachaise van Groningen kunnen noemen’, lacht hij. Al bijna tweehonderd jaar worden hier de prominenten van de stad begraven.

Voor de gelegenheid heeft Bakker een lijst met namen van professoren of hoogleraren meegenomen. Naast de namen en jaartallen staan her en der wat moeilijk te lezen krabbels: ‘goede steen’, of ‘mooie steen, beetje kapot’.  Hij heeft in de afgelopen jaren aardig wat informatie weten te verzamelen. Soms via de site van de RUG, soms via Wikipedia.

Zo nu en dan duikt hij de archieven in om extra informatie te vergaren, maar dat valt niet altijd mee. ‘De RUG-site klopt niet altijd. Soms komen de jaartallen ook niet overeen met wat ik op de steen aantref en de archieven met de hand doorzoeken kost veel tijd.’

Ziektes

Enthousiast vertelt Bakker over de Zuiderbegraafplaats, die in 1826 geopend is. Bakker: ‘Het begraven van mensen midden in de stad kon wel eens epidemieën veroorzaken, dacht men toen. Je moet niet vergeten dat er rond deze tijd de Groninger Ziekte uitbrak, die tien procent van de bevolking het leven kostte.’

Anno 2018 is de begraafplaats omringd door drukke autowegen. Bakker kijkt er met een keurende blik naar.

De steen van Theodorus van Swinderen (1784-1851) is de eerste die hij tegenkomt. ‘Van Swinderen was hoogleraar natuurlijke historie aan wat toen nog de ‘Hoogeschool van Groningen’ heette, de voorloper van de RUG, vertelt Bakker terwijl hij de steen aanwijst. Niet geheel verwonderlijk ligt de steen op een prominente plek, dichtbij de ingang van de begraafplaats.

Van Swinderen – zijn bijnaam als jongetje luidde ‘Dorus het wonderkind’ – was een volksopvoeder. Hij wilde het onderwijs hervormen. Het afschaffen van de ‘plak’, een ronde houten schijf waarmee een leraar zijn leerlingen letterlijk op de vingers kon tikken, is mede aan hem te danken. Daarnaast richtte hij het Museum voor Natuurlijke Historie op – een voorloper van het huidige universiteitsmuseum – om het gewone volk de wonderen van Gods schepping te kunnen tonen. En hij was ‘hands on’. Ofwel:  meer dan eens schoot hij zelf de dieren die vervolgens werden opgezet.

Illustere naam

Een stukje verder stuit Bakker op het graf van Henri Daniel Guyot (1753-1828). Alweer een illustere naam uit de RUG-geschiedenis.

Guyot was van huis uit predikant. Maar toen hij in Frankrijk een priester ontmoette die gebarentaal had ontwikkeld voor doofstomme kinderen, was hij zo getroffen dat hij zijn leven omgooide. In zijn eigen huis in Groningen richtte hij een dovenschooltje op – het allereerste in Nederland. Hij leerde de kinderen daar gebarentaal (die hijzelf verder ontwikkeld had), lezen, schrijven en rekenen én hij probeerde ze een vak bij te brengen.

Hij begon met veertien kinderen in een gehuurd kamertje in de Ebbingestraat, maar verhuisde al snel naar zijn eigen huis in de Turftorenstraat. Uiteindelijk was zijn Doveninstituut zo’n succes dat er afdelingen ontstonden in het hele land en hij met zijn kinderen kon verkassen naar een pand vlakbij de Ossenmarkt; de plek die nu het Guyotplein heet.

Eerste Joodse hoogleraar

Bakker scharrelt over de begraafplaats alsof hij op zoek is naar een schatkist. Op het papier in zijn hand staan plaatsaanduidingen — 1e rang, 12e rij, plaats 36 —  maar die zijn niet altijd even makkelijk te vinden. Maar dan is het er ineens: het graf van de allereerste Joodse hoogleraar van de RUG én van Nederland:  Izaac van Deen (1804 – 1869).

Ook Van Deen was een uitzonderlijke man: een medicus die geïnteresseerd was in de werking van het zenuwstelsel. Hij experimenteerde daarvoor op levende kikkers, iets wat hij ook graag in het openbaar deed voor een lekenpubliek. Als je rond 1835 per postkoets of trekschuit reisde, kon je maar zo naast Van Deen belanden, die dan een grote trommel vol levende kikkers bij zich had voor een van zijn demonstraties.

Overigens moest Van Deen nog behoorlijk zijn best doen om aan de bak te komen in Groningen. Hij had op diverse leerstoelen gesolliciteerd en ook in Groningen was hij al eens afgewezen. Uiteindelijk had hij beet toen de grote staatsman Johan Rudolph Thorbecke zélf een aanbevelingsbrief voor hem schreef.  ‘Ik ben anders geen voorstander van de jooden’, schreef Thorbecke over Deen. ‘Doch deze onderscheidt zich op eene eervolle wijs, door knapheid zoowel als door bescheidenheid, en heeft reeds, ten tijde der cholera, belangrijke diensten gedaan.’

Niet genoeg ruimte

Bakker doolt van graf naar graf. Daar ligt Bernard Dominicus Hubertus Tellegen (1823-1885), rechtenprofessor, en daar is het torenhoge familiegraf van agro-industrieel Willem Albert Scholten (1819-1892), de grondlegger van het huidige Scholten-concern. De man die eigenlijk 45 graven ‘eerste klasse’ had willen hebben op de Zuiderbegraafplaats, maar zich tevreden moest stellen met 27 graven ‘tweede klasse’ omdat er gewoon niet genoeg ruimte was. Het gigantische monument dat er uiteindelijk kwam, is er niet minder indrukwekkend om.

Petrus Hofstede de Groot (1802 – 1886) ligt weer verderop. Hij had vrijzinnige ideeën: ‘Iemand als Hendrik de Cock vond dat er naar de letter van de bijbel geleefd moest worden, volgens De Groot was het naar de geest.’ De latere hoogleraar aan de RUG stond aan de wieg van de invloedrijke ‘Groninger godgeleerden’ – een groep theologen die maatschappelijk betrokken was, zich inzette voor onderwijs en de armenzorg, en de Bijbel vaak symbolisch interpreteerden.

Inmiddels dolen we al een uur over de begraafplaats. De vrieskou begint de overhand te krijgen, ook al schijnt de zon. Maar Bakker weet van geen ophouden. Want Isaac Bennie Cohen (1867 – 1954), hoogleraar landhuishoudkunde, moet nog ergens liggen. En van Johann Friedrich Karl Rudolph Ranke (1849 – 1887), de hoogleraar heelkunde die in zijn laatste maanden in een draagstoel naar de collegezaal werd gebracht om toch nog te kunnen doceren, weet Bakker de rustplaats ook nog niet.

En dus gaat de zoektocht verder.

[masterslider id=”24″]

English

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Reacties met een link worden beoordeeld en kunnen worden geweigerd. / Comments containing a link will be reviewed and may not be published.

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in