Onderzoek

Niemand wordt er beter van

Dierproeven doodgereguleerd

Om een dierproef te mogen doen, moet je aan strenge regels voldoen. Dat is logisch. Maar Nederland creëerde een bureaucratisch monster, vinden onderzoekers. En daar wordt niemand beter van. Ook de dieren niet.
Door Christien Boomsma / Foto’s Reyer Boxem

Hoe krijg je een proefdiervergunning

Wie in Nederland een vergunning wil om dierproeven te doen, moet langs drie instanties. De Instantie voor Dierenwelzijn (IvD), de Dierexperimentencommissie (DEC) en de Centrale Commissie Dierproeven (CCD).

Eerst stelt de onderzoeker een aanvraag op en stemt die af met de IvD. Die behandelt vooral de technische aspecten en kijkt of er voldoende aandacht is voor de 3V’s (vermindering, verfijning en vervanging). Daarna gaat de aanvraag naar de CCD die weer advies vraagt aan een DEC. De DEC bepaalt de wetenschappelijke kwaliteit en de ethische aspecten van de aanvraag.

De CCD heeft veertig dagen om de aanvraag te behandelen. De tijd die nodig is om vragen te beantwoorden is daarin niet meegerekend.

Als de vergunning eenmaal binnen is, komt de IvD opnieuw in beeld. Samen met de onderzoeker waakt de IvD over de correcte uitvoering van de experimenten.

Grapje zeker, dacht Simon Verhulst, toen hij de brief kreeg van de Centrale Commissie Dierproeven. Want waren ze helemaal gek geworden, daar in Den Haag?

De bioloog doet onderzoek naar veroudering. Daarvoor gebruikt hij zebravinken. Hij probeert verschillen in levensduur te creëren, bijvoorbeeld door vogels te laten werken voor voedsel, terwijl ze broeden – sommige ouders moeten dan superhard werken om een nest groot te brengen, anderen veel minder.

De verwachting: de hardwerkende ouders sterven sneller. Het doel: ontdekken welke mechanismen een rol spelen bij veroudering.

Natuurlijk mag dat niet zomaar. De vogels zijn proefdieren en je mag die niet zomaar manipuleren. Daarom was Verhulst verwikkeld in de aanvraag voor een nieuwe vergunning om de experimenten te mogen doen.

De CCD, die moet controleren of de proeven echt nodig zijn en of er manieren zijn om het leed van de dieren te verminderen, wilde aanvullende informatie. De vraag: ‘Kunt u dan geen soort gebruiken waarbij géén effect verwacht wordt op de overleving?’

Verhulst kan er nog altijd boos over worden. ‘Dat is het niveau waarmee we te maken hebben. Deze mensen denken niet als onderzoekers.

Maar zonder vergunning kan hij zijn werk niet doen. En dus legde hij braaf uit waarom het verstandig is wél op effect te koersen, moest hij weer een maand wachten voor de vergunning – à duizend euro – eindelijk in zijn brievenbus viel. Als er tenminste niet meer vragen kwamen, en dus meer vertragingen. Een halfjaar is heel normaal.

Gefrustreerd

Verhulst is niet de enige die gefrustreerd is. Vraag proefdieronderzoekers naar de CCD en ze barsten los over bureaucratie, gebrek aan deskundigheid, hoge kosten en maandenlange vertragingen. En het allerergste, zegt Verhulst: ‘Je hebt geen idee wat daar tegenover staat op het gebied van dierenwelzijn.’

Natuurlijk is niemand tegen de Wet op de Dierproeven, zoals die in 2014 werd ingevoerd. Ook de onderzoekers zijn er niet op uit om dieren onnodig pijn en ongemak te bezorgen. Ze proberen belangrijke onderzoeksvragen te beantwoorden. ‘Maar ik geloof niet dat we er klaar voor zijn om dat te doen zonder dierproeven’, zegt celbioloog Floris Foijer van verouderingsonderzoeksinstituut ERIBA.

Hun probleem is het administratieve oerwoud waar ze doorheen moeten om hun aanvragen goedgekeurd te krijgen. Het is nog steeds een bron van ergernis voor Foijer, die een nieuwe aanvraag moest indienen voor zijn onderzoek toen de nieuwe wet was opgetuigd.

Hij overlegde met de Instantie voor Dierenwelzijn van de RUG – die gaat vooral over de uitvoering en technische aspecten. Hij pingpongde een poos heen en weer met de DEC (Dierexperimentencommissie), die nadenkt over de ethische aspecten, schreef tenslotte een aanvraag voor de volgende vijf jaar. En toen bleef het stil. Bijna veertig dagen lang.

‘Tot ik een paar dagen voor de deadline werd opgebeld door een deskundige van de CCD. Hij stelde wat vragen, had een foutje opgemerkt in een cohortberekening. Dus die had goed gekeken’, vertelt hij. Hij legde uit wat er niet duidelijk was en dacht: nu komt het goed.

Pissig

‘Maar drie à vier weken later kreeg ik te horen dat de aanvraag was afgekeurd, omdat hij niet toetsbaar zou zijn’, zegt hij. Het was dus moeilijk om te zien of de aanvraag aan de regels voldeed. ‘Nou, daar was ik op zijn zachtst gezegd pissig over.’

Hij was duizend euro kwijt, de dierproeven liepen nog altijd niet. Hij wilde bezwaar indienen, maar hem werd sterk geadviseerd dat niet te doen. ‘Ze zeiden: “U bent toch pragmatisch. Bezwaar is in niemands belang.”’

Maar wat hem en de jurist van de RUG wel verbaasde: de CCD liet weten dat de aanvraag waarschijnlijk wel goedgekeurd zou worden – dus toetsbaar zou zijn – als hij hem opsplitste in twee kleinere.

‘Hoe konden ze dat weten?’ wil hij weten. ‘Het was puur omdat ze de aanvragen zo klein mogelijk willen houden.’ Waarom? Omdat elke aanvraag het CCD duizend euro oplevert en de commissie ‘zijn eigen broek moet ophouden’. ‘En zo creëer je een administratief beest.’

Ze zoeken spijkers op laag water

Foijer ging overstag, schreef twee nieuwe – praktisch identieke, maar kleinere – aanvragen en kreeg zijn vergunning. Maar de frustratie blijft. Want nu was hij vierduizend euro en bijna een jaar tijd kwijt. ‘Ze zoeken spijkers op laag water.’

Je mag het eigenlijk niet denken, maar toch. Een commissie die zichzelf betaalt met het geld dat ze binnenhalen door het verstrekken van vergunningen? Werkt dat geen belangenverstrengeling in de hand? ‘Ik vind het zelfs al zorgelijk als er een potentieel conflict is’, zegt Robbert Havekes, die onderzoek doet naar de invloed van slaap op hersenprocessen. ‘Een commissie die zo’n belangrijke rol speelt, mag zelfs de schijn niet tegen hebben.’

Het had allemaal niet zo gehoeven, vinden de onderzoekers. Voor 2014 had Nederland een prima systeem met locale DEC’s, die proefdieronderzoek toetsten. De lijntjes waren kort, gebrek aan expertise snel opgelost.

‘Zorgelijk’

Maar toen kwam Europa met een richtlijn, die vroeg om meer centrale toetsing. Zelfs dat leek geen probleem. ‘Ik dacht dat het beter zou worden’, zegt Foijer. ‘Met een centrale toetsing op grote lijnen, terwijl de praktische uitvoering in de gaten zou worden gehouden door een lokale Instantie van Dierenwelzijn.’

Maar Nederland ging veel verder dan volgens de Europese richtlijn nodig was. En van globale toetsing van het wetenschappelijk belang is allang geen sprake meer. Havekes noemt het ‘zorgelijk’. ‘De aanvragen worden steeds gedetailleerder, met steeds minder flexibiliteit. En dat is juist cruciaal in de wetenschap.’

Tegelijkertijd wordt de ergernis juist groter.

Het gebrek aan wetenschappelijke expertise is schrijnend

‘Het gebrek aan wetenschappelijke expertise is schrijnend’, zegt Sietse de Boer. Hij onderzoekt agressie met behulp van ratten en is voormalig lid van de lokale DEC. Het is onmogelijk om mensen uit alle wetenschappelijke geledingen in de commissie te zetten. ‘We cateren nu, schrijven de aanvraag zo slim en populair wetenschappelijk mogelijk op, zodat je geen domme vragen krijgt’, zegt hij.

Een ‘kwalitatief goede aanvraag’, noemt de IvD dat. En de kwaliteit is ‘sterk bepalend voor de doorlooptijd’.

Dat betekent letten op taalgebruik, tekstopbouw, het gebruik van figuren en tabellen. ‘Soms krijgen we aanvragen die aan elkaar hangen van het jargon’, weet Miriam van der Meulen van de IvD van Science and Engineering. Dat is niet de bedoeling. Jip-en-janneketaal hoeft heus niet, ‘maar het moet wel leesbaar zijn’.

Wantrouwen

Maar het gebrek aan vertrouwen dat uit het hele proces blijkt, steekt. En het gebrek aan flexibiliteit is ronduit schadelijk. In deze tijd, zegt De Boer, ís er geen flutonderzoek meer. Anders kun je als wetenschapper wel inpakken. Maar dat dringt maar niet door. ‘Alles is gestoeld op wantrouwen.’

Want wat nu als je een gedegen onderzoek hebt gedaan en je staat op het punt te publiceren in een toptijdschrift. Maar het tijdschrift vraagt om een extra experiment dat niet binnen je aanvraag past? ‘Dat lukt nooit in de paar maanden die ze je daar normaal voor geven’, zegt Havekes.

‘De nieuwe wet moest zorgen voor een level playing field in Europa’, zegt De Boer. ‘Maar dat is niet bewaarheid geworden.’ Hij – en met hem vele anderen – vrezen een brain drain van wetenschappers die uitwijken naar het buitenland. In Europa is er nog weinig aan de hand, maar wat als ze naar China gaan? Daar zijn nauwelijks regels om dierenleed te verminderen.

Anticiperen, adviseert de IvD. Zorgen dat er marge zit in je aanvraag. Niet schrijven op vijf proeven, maar rekening houden met die onvoorziene zesde. Want inderdaad, als je dat niet doet, kun je gemakkelijk in de problemen komen. ‘Dat zal een leerproces zijn voor elke onderzoeker’, zegt Van der Meulen.

‘Geëuthenaseerd’

Maar terwijl de onderzoekers zich begraven in eindeloos papierwerk, levert dat voor de dieren geen enkel voordeel op. Dat erkent ook de IvD. Sterker nog, het kan nadeel opleveren. Terwijl Foijer wachtte op zijn vergunning en zijn proeven met genetisch gemodificeerde muizen niet kon starten, werden zo’n zestig tot tachtig dieren ongebruikt ‘geëuthanaseerd’. ‘Want zo’n lijn genetische gemodificeerde dieren kun je immers niet zomaar stoppen.’

Verhulst vindt het schrijnend. Want terwijl hij zich door de zoveelste CCD-vraag heen worstelt om – bijvoorbeeld – een groep kauwen een natuurlijk hormoon te mogen inspuiten dat hem meer kan vertellen over veroudering, laten vissers hun vangst stikken op het dek van hun boot, of worden stallen met duizenden kippen geruimd zonder dat iemand zich er werkelijk druk om maakt. ‘De regels zijn niet gek’, zegt hij. ‘Maar de implementatie ervan wel.’

Reactie CCD

De CCD stelt in een reactie dat sinds 1 januari de procedure van indienen van aanvragen voor proefdieronderzoek is veranderd. De behandeltijd van de DEC en CCD samen mag voortaan maximaal 40 werkdagen bedragen. ‘Deze tijd is nodig om tot een zorgvuldige overweging te komen die recht doet aan het onderzoek, maar ook aan de ethische eisen. Kortom: er wordt een zogeheten schade-batenanalyse gemaakt.’ Hierin is het interne proces niet meegerekend.

‘Hoe een projectvoorstel eruit moet zien en welke informatie erin moet staan om tot een goede schade-batenanalyse te komen, is een doorlopend proces’, stelt de commissie. ‘De CCD is zich hiervan terdege bewust en biedt hiervoor diverse handvatten in de vorm van zogeheten handreikingen. Deze zijn te vinden op de website.’

Wat betreft kritiek op het gebrek aan expertise en onnodige vragen, stelt de commissie dat de verschillende rollen die de wet voorziet nog moesten uitkristalliseren. ‘Zaken die in het begin van het systeem nog niet helemaal helder waren, maar nu inmiddels wel. De CCD streeft er naar om de formulieren steeds completer te maken, zodat aanvullende vragen niet meer nodig zijn.’

De vrees voor belangenverstrengeling is ongegrond. De CCD is een onafhankelijk Zelfstandig Bestuursorgaan – en mag geen winst maken. ‘De geldstroom van het CCD heeft geen invloed op het verlenen van verguningen.’

Tenslotte stelt de CCD dat altijd duidelijk moet zijn welke handelingen een individueel dier ondergaat. ‘Dit is het detailniveau waarom gevraagd wordt.’

English

2 REACTIES

  1. Zou het niet beter zijn geen dierproeven meer te doen? Ik merk bij de reactie geen enkele compassie voor de dieren, alleen voor het eigen onderzoek.
    Ik haal ëën uit de in de reacties genoemde onderzoeken: wat is het belang van onderzoek naar verouderingsprocessen? De arde is al bevolkt met 7 miljard mensen en we zijn op weg naar de 10 miljard. Is het niet verstandiger te zoeken naar middelen die de het leven beperken tot bijvoorbeeld 65 jaar. Lijkt me wetenschappelijk en ethisch een interessante vraag.

  2. Deze bijdrage is mij uit het hart gegrepen. Voor mijn onderzoek naar betere influenza vaccins had ik een paraplu-aanvraag ingediend, op aanraden van de DEC (die het toen ook nog niet beter wist). Deze werd als ‘niet toetsbaar’ beoordeeld (maar moest wel betaald worden) en moest opgesplitst woden in 4 (!) kleinere aanvragen met de nodige financiële consequenties. Uiteindelijke heeft de hele procedure 1 1/2 jar geduurd met een hands-on time van zeker 2 volle maanden, ongelooflijk! Het ontbreken van elke flexibiliteit zie ik eveneens als een groot probleem.
    Ik heb veel contact met collega’s uit Skandinavische landen en uit Duitsland die onder dezelfde EU regels vallen maar een veel makkelijkere en flexibelere procedure hebben. Deze wetgeving is slecht voor het Nederlands onderzoek!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Reacties met een link worden beoordeeld en kunnen worden geweigerd. / Comments containing a link will be reviewed and may not be published.

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in