Onbereikbaar

Met de bakelieten telefoon met draaischijf in de straat waar Gerrit Breeuwsma opgroeide, had de ontwikkeling van de telefonie mogen stoppen. Want je bent een vrijer mens als je niet altijd bereikbaar bent, vindt hij.

Wat Cruijff kan, dat kan ik ook, dacht ik.

Misschien moet ik dit even toelichten, voor u gaat denken dat het me in de bol is geslagen. Nee, ik kan niet voetballen, nee, ik ben geen haarscherpe analyticus van het populaire balspel en nee, ik grossier niet in ondoorgrondelijke wijsheden. Maar toen ik eens las dat Cruijff zonder mobiele telefoon wist te overleven, dacht ik: dat kan ik ook.

Ergens speelde hij een beetje vals, vind ik. Cruijff vond een mobiele telefoon overbodig, redeneerde hij, want er waren genoeg mensen in zijn omgeving die over zo’n ding beschikten. Dus als ze hem nodig hadden, wisten ze hem toch wel te vinden.

Dat laatste is bij mij minder het geval, maar dat is juist waar het me om gaat: niet gevonden worden.

Het idee dat je steeds bereikbaar bent, dat er ieder moment inbreuk op je leven kan worden gemaakt, dat al je gangen gevolgd kunnen worden en dat je overal je sporen nalaat, vind ik iets benauwends hebben. Wie dat paranoïde vindt, zou de documentaire The social dilemma eens moeten bekijken.

Naar mijn idee ben je een vrijer mens als je je onbereikbaarheid weet te waarborgen.

Maar zoals met de meeste vrijheid, makkelijk is het niet. Toen ik eens tijdens een nachtelijke reis op een verlaten station strandde, zocht ik tevergeefs naar een telefooncel en sinds de praatpalen langs de snelwegen zijn verwijderd, durf ik amper nog alleen de weg op (een goede reden om thuis te blijven). Voor mijn geldzaken moet ik een ingewikkelde procedure volgen met een scanner die het zo vaak niet doet dat je sneller een bank berooft dan geld overmaakt.

En dan de druk die er thuis op me uitgeoefend wordt om mobiel te gaan. Mijn vrouw dreigt ieder jaar weer me één op mijn verjaardag te geven (vertrouwt ze me niet?) en mijn kinderen vinden me een hopeloze neanderthaler.

Mijn kinderen vinden mij een hopeloze neanderthaler

Dat is natuurlijk overdreven, maar ik ben wel van een generatie voor wie de telefoon nog een noviteit was. In mijn jonge jaren was er in de hele straat waar ik opgroeide één huishouden met een telefoon, nota bene de kolenboer. Die had de telefoon – een bakelieten gevaarte met draaischijf dat in de gang hing – nodig voor zijn handel en de rest van de straat mocht daar gebruik van maken (waarna je een kwartje achterliet).

Heel soms kwam de vrouw van de kolenboer aan je deur met de mededeling dat er voor je gebeld was. Je kon er dan donder op zeggen dat het om een ernstige zaak ging: er was iemand geboren of overleden. Voor minder werd je niet gebeld.

Als het aan mij had gelegen, was daar in de gang van de kolenboer de ontwikkeling van de telefonie opgehouden.

Maar de vooruitgang is niet te stuiten. Waar aanvankelijk veel mensen dachten geen mobieltje nodig te hebben, bevind ik me nu overal in gezelschappen waar iedereen gebiologeerd naar zijn scherm zit te staren.

Vorige week leek ik dan toch het onderspit te moeten delven toen ik een mailtje kreeg dat ik ten behoeve van de multifactorauthenticatie een app moest downloaden op mijn telefoon, anders zou ik geen toegang meer krijgen tot het universitaire netwerk.

Moest ik nu aan de mobiel?

Nadat ik van de schrik was bijgekomen, bleek er gelukkig een sluiproute in de vorm van een klein rood kaartje dat codes genereert die toegang tot het netwerk geven, zonder dat je een telefoon nodig hebt.

Er werd niet al te opzichtig reclame voor gemaakt, want zo werd er gefluisterd: het kaartje is nogal duur.

Nou ja, onbereikbaarheid mag wat kosten.

GERRIT BREEUWSMA