Onderzoek

Werken met proefdieren

Onderzoekers zijn niet immuun

Kun je van dieren houden, maar tegelijk ratten en muizen ‘offeren’ voor wetenschappelijk onderzoek? ‘Er zijn dingen die ik liever niet doe.’
Door Freek Schueler / Foto Reyer Boxem

Emma Wams’ kattenoppas schrok zich kapot, toen ze hoorde dat het baasje van haar geliefde oppaskatten dagelijks onderzoek deed op proefdieren. Hoe kon ze dat die beestjes aandoen, ze was toch een dierenvriend?

Volgens Wams, post-doc bij Behavioural Neuroscience aan de Rijksuniversiteit Groningen, komt dat vaak voor. Mensen denken dat proefdieronderzoek plaats vindt in schimmige achterkamertjes, met vieze kooien, terwijl het in werkelijkheid tot in de puntjes gereguleerd is. Of dat veel proefdieren worden gebruikt voor cosmeticaonderzoek. ‘In Nederland is dat al ze-ven-tien jaar verboden! Maar in de publieke perceptie heerst dat idee nog altijd.’

Toch draait het om dierenlevens en ontkomt ze er niet aan dat ze af en toe levens moet nemen. Hoe gaat een onderzoeker hiermee om? Kan Wams haar eigen katten nog met droge ogen aankijken?

Onvermijdelijk

Van huis uit is ze psychologe. Nadat Wams promoveerde aan de Universiteit van Oxford, waar ze slaaponderzoek deed bij Alzheimerpatiënten, startte ze als post-doc aan de RUG. Aanvankelijk nog met mensen als onderzoeksobjecten, later kwamen daar ratten en muizen bij. Volgens Wams zijn er vragen die je simpelweg niet kan beantwoorden met alléén proefpersonen.

Zo onderzoekt ze onder andere de manier waarop informatie via de zintuigen wordt verwerkt in het brein. De neuronen in je brein zenden elektrische signalen uit, die je kan meten. Bij mensen die lijden aan de ziekte van Alzheimer of autisme treden hier mogelijk verstoringen in. ‘Elektrodes aanbrengen in het brein is essentieel om deze verwerkingsroutes in kaart te brengen en om te zien hoe het brein reageert op bepaalde impulsen’, zegt Wams. ‘Het spreekt voor zich dat, om ethische redenen, elektrodes aanbrengen in menselijke hersenen nooit zou kunnen.’

 

De wet

Iedere onderzoeker die te maken krijgt met proefdieren moet een cursus proefdierkunde volgen. Het onderzoeksvoorstel moet vervolgens worden voorgelegd aan een landelijk orgaan: de Centrale Commissie Dierproeven (CCD).

In dit voorstel moet de onderzoeker precies aangeven wat hij gaat doen, van de reden voor onderzoek tot de soort en hoeveelheid anesthesie, van het aantal dieren tot het potentieel ongerief.

Tenslotte moet ook de Instantie voor Dierenwelzijn (IvD), verbonden aan de universiteit, het voorstel nog goedkeuren.

Drie V’s

Onderzoekers binnen het dieronderzoek hanteren de ‘drie V’s’ om het aantal proefdieren zo laag mogelijk te houden: vervanging, vermindering en verfijning. Waar mogelijk worden dieren vervangen door diervrije experimenten. Nieuwe technieken maken het mogelijk om organen in een schaaltje te kweken, waardoor minder dieren nodig zijn.

Wanneer vervanging niet mogelijk is, gelden de andere ‘V’s’: streef altijd naar zo min mogelijk proefdieren en vermijd ongemak waar mogelijk.

Hoewel Wams overtuigd is van de noodzaak om proefdieren te gebruiken, wil dat nog niet zeggen dat het voor haar vanzelfsprekend is. Al vanaf de eerste hersenoperaties – trainingen die ze uitvoerde op muizen – was ze zich ervan bewust dat ze het leven aan gezonde muizen ontnam.

Deze muizen werden aan het eind van de operatie ‘geofferd’, een term die onderzoekers liever gebruiken dan ‘afgemaakt’. Niet makkelijk, vond ze. ‘Natuurlijk is het wennen, maar zodra je het in perspectief kan plaatsen wordt het gemakkelijker. Ik vergroot de kans dat alle komende operaties die ik uitvoer goed gaan, zonder infecties of ander ongemak. Bovendien waren de trainingsmuizen onder narcose, dus hebben ze niet geleden.’

Lastig

Ze is gewend geraakt aan het uitvoeren van de operaties en het dieronderzoek in het algemeen. Maar dat offeren, dat vindt ze nog altijd lastig. Het dier zit dan in zijn eigen kooi, waar koolstofdioxide in wordt gepompt, waardoor het stikt.

Het duurt maar twee seconden voordat de muizen buiten bewustzijn raken. ‘De methodes die wij gebruiken zijn vrijwel direct, maar in die twee seconden zie je de muis in stress raken. Ik vind het nog steeds moeilijk om daar naar te kijken.’

Met collega’s praat ze er weleens over. Ze herinneren elkaar er dan aan waarom het echt nodig is. ‘Onderzoekers die er echt moeite mee hebben, blijven vaak niet lang in het dieronderzoek, of gaan bijvoorbeeld observatiestudies in het wild doen.’

Ook gedragsbioloog Bauke Buwalda doet onderzoek met proefdieren. Hij kijkt naar sociaal gedrag in ratten, vooral naar hun reactie op de omgeving in stressvolle situaties. Zo plaatst hij de dieren bij elkaar in de kooi, waarna ze de confrontatie met elkaar aangaan.

De verliezende rat ervaart stress die de onderzoeker meet aan de hand van de hormoonspiegels in het bloed of gedragsobservatie. Net als bij mensen kunnen sommige ratten prima omgaan met stress, maar worden andere angstig of vertonen ze depressief gedrag.

Individuele verschillen

Buwalda onderzoekt deze verschillen en probeert in kaart te brengen wat ze veroorzaakt. Het onderzoek is niet alleen relevant voor mensen, maar ook voor bijvoorbeeld de veehouderij, waar dieren vaak in stressvolle situaties gehuisvest worden.

Ondanks jaren stress-gerelateerd onderzoek, is ook Buwalda niet immuun geworden voor het leed dat zijn proefdieren soms ondergaan. ‘Er zijn dingen die ik liever niet doe. Dat is heel persoonlijk. Ik zou moeite hebben met pijnonderzoek doen.’

Toch is ook dat wel degelijk belangrijk, vindt hij. Mensen met chronische pijn zouden graag een oplossing voor hun probleem hebben, maar de experimenten die daarvoor nodig zijn, zijn erg ingrijpend zijn voor het dier. Het is een afweging die elke onderzoeker persoonlijk moet maken, vindt Buwalda: ‘Weegt het ongerief van het dier op tegen wat het oplevert voor de mens?’

Voor hem ligt de grens bij het overschrijden van het natuurlijke. Wanneer je louter om een zo hoog mogelijke stressreactie te ontlokken, de stress zo opvoert dat alle dieren daar wel last van móeten krijgen, gaat het hem te ver. ‘Ik ben vooral geïnteresseerd in prikkels waarbij een deel wel last van heeft, maar een deel ook niet. Dat zijn de verschillen in gevoeligheid waar we in de menselijke samenleving mee geconfronteerd worden.’

Niet onnodig

Meer nog dan de onderzoekers zelf, heeft dierverzorger Brendan Verbeek contact met de proefdieren in de Linnaeusborg. De honderden ratten, muizen, hamsters, vissen en vogels – de proefdierfaciliteit huisvest zo’n tien tot vijftien soorten – moeten immers gevoerd, verschoond en gefokt worden.

Verbeek kent de dieren (‘ik weet dat vis 31 in bak 2 zich niet lekker voelt’) en dat maakt het voor hem misschien nog lastiger dan voor de onderzoekers. Het offeren van de dieren is ook voor hem het vervelendste onderdeel. ‘Maar je weet waar je het voor doet; het is niet onnodig.’

Hij ziet het als zijn taak om het op te nemen voor de dieren: ‘Onderzoekers willen graag een voorraad dieren voor optimaal onderzoek. Ons belang is zo weinig mogelijk dieren fokken.’ Het leidt tot een gezonde samenwerking: zo weinig mogelijk proefdieren en zo goed mogelijk onderzoek, vindt Verbeek.

Rompslomp

Toch bepaalt niet alleen de onderzoeker of hij wel of niet proefdieren wil gebruiken. Elk experiment moet worden getoetst en goedgekeurd wat veel administratieve rompslomp met zich meebrengt. Wams: ‘Soms is het makkelijker om goedkeuring te krijgen voor humaan onderzoek dan voor dieronderzoek. Zolang je toestemming hebt van de proefpersoon, mag je vrij veel. Maar dieren kunnen uiteraard geen toestemming geven.’

Meer flexibiliteit zou goed zijn, stelt Buwalda. ‘Bij een aanvraag voor een onderzoek moet je inschatten wat je de komende vijf jaar precies zou willen gaan doen. Misschien lees ik over twee jaar iets in een artikel, waar ik zelf nooit aan gedacht had.’

Hij zou meer vertrouwen willen en minder regeldruk. ‘Goede onderzoekers zijn niet gebaat bij slechte experimenten. Iedere onderzoeker die ik ken probeert het dier zoveel mogelijk in zijn waarde te laten.’

Wams is het met hem eens. ‘Iedereen hier op de faciliteit is een dierenliefhebber, de drang om te zorgen voor je proefdieren hebben we allemaal.’ En toch: bang dat ze gehecht raakt aan haar proefdieren is ze echter niet. ‘In mijn ervaring willen muizen je toch alleen maar bijten’, lacht ze.

Zie ook het nieuwsbericht: Minder dierproeven aan de RUG

English

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here