Wetenschap

Inuktitut, Gutob of Lunda leren voor je onderzoek

‘Taal is de sleutel tot een cultuur’

Soms kun je je werk als wetenschapper alleen maar doen door een taal te leren die bijna niemand spreekt. En dan ook nog zonder de hulp van lesboeken of DuoLingo. ‘Ik moet begrijpen wat er gebeurt zonder mensen lastig te hoeven vallen.’
13 april om 16:25 uur.
Laatst gewijzigd op 24 mei 2021
om 18:43 uur.
april 13 at 16:25 PM.
Last modified on mei 24, 2021
at 18:43 PM.
Avatar photo

Door Yelena Kilina

13 april om 16:25 uur.
Laatst gewijzigd op 24 mei 2021
om 18:43 uur.
Avatar photo

By Yelena Kilina

april 13 at 16:25 PM.
Last modified on mei 24, 2021
at 18:43 PM.
Avatar photo

Yelena Kilina

International editor Volledig bio International editor Full bio

Het kiezelstrand van het kleine eiland Uglit in het Noordpoolgebied zag er sereen uit in het schijnsel van de middernachtzon. Postdoc etnoarcheologie Sean Desjardins zag hier en daar ganzen nestelen, maar er was geen walrus te zien. En toch wist hij zeker dat hij hier moest zijn om in de permafrost te graven naar walrusoverblijfselen. ‘Gewoon omdat het Uglit heet, wat ‘een plek waar walrussen uit het water komen’ betekent. Dat was een aanwijzing dat mensen hier vroeger op die dieren jaagden.’

Hij groef centimeter voor centimeter af rond oeroude plaggenhutten en afvalputten en bewees zijn gelijk. ‘We vonden volop resten van walrussen die we konden gebruiken om de archeologische cultuurgeschiedenis van het gebied te bestuderen.’ 

Dat Desjardins zo zeker wist waar hij moest graven was omdat hij een beetje Inuktitut sprak, een minderheidstaal van de Inuit. Slechts dertigduizend mensen in Noord-Canada spreken het nog en dat aantal neemt snel af. De taal is heel complex, maar er zijn nauwelijks mogelijkheden om het op een systematische manier te leren. ‘Er is geen DuoLingo of Rosetta Stone voor Inuktitut’, zegt hij. 

Jagen met de Inuit

Hij volgde een basiscursus bij een docent in Quebec die zelf geen Inuit was, maar dat zette weinig zoden aan de dijk. Hij las wat boeken van het Nunavut Arctic College, maar dat hielp ook niet echt. De enige manier om de taal te leren, zegt hij, is door veel tijd door te brengen met de Inuit. 

Ik moest dingen uit de context zien op te maken

‘Als we gingen jagen, wees iemand naar het water en zei dan atii. Door de manier waarop de andere Inuit reageerden, begreep ik op een gegeven moment dat het “laten we daarheen gaan” betekende. Het was alsof ik weer een kind was; ik moest dingen uit de context zien op te maken.’ 

Hij stelde woord voor woord zijn eigen woordenboek samen met termen en frasen die van belang waren voor zijn onderzoek: van jaagmethodes (natsiqsiuriaqtuq is ‘zeehondenjacht’) en dieren (tuktu is ‘kariboe’), tot woorden voor familieleden en huishoudelijke voorwerpen. 

Dankzij die kennis van de belangrijke woorden in het Inuktitut kon Desjardins discreet de jacht observeren en vastleggen. ‘De jagers zijn enorm gefocust als ze op pad zijn en dan stroomt de adrenaline door hun aderen. Ik moet dan begrijpen wat er gebeurt zonder ze lastig te hoeven vallen.’

Drie talen

‘De taal is de sleutel tot een cultuur’, vindt ook antropoloog Peter Berger. Als je onderzoek doet in een afgelegen gebied, moet je vaak extra moeite doen om je omgeving echt te doorgronden. Berger bracht jaren door in Odisha in het oosten van India, om daar de religie en rituelen te bestuderen van een kleine etnische groep, de Senior Gabada. Om met hen te kunnen praten, leerde hij uiteindelijk drie talen uit twee taalfamilies.

De eerste was Odia, de officiële taal van Odisha. Die leerde hij om zich voor te bereiden op het veldwerk. Maar toen hij in de regio aankwam, ontdekte hij dat de mensen hem weliswaar konden verstaan, maar dat hij hen niet begreep. De Senior Gabada spreken geen Odia, maar een dialect ervan, Desia. 

Daarnaast spreken ze ook nog hun eigen taal, Gutob, die tot de Austroaziatische talen behoort, een andere taalfamilie. ‘De taalkundige variatie is een uitdaging voor antropologen in die regio’, zegt Berger. Hij besloot zich uiteindelijk te richten op Desia, ‘omdat het de regionale lingua franca is’, hoewel hij ook wat Gutob oppikte.  

Lokale perspectief

Net als Desjardins moest Berger de talen leren door zich onder te dompelen in de gemeenschap en naar dingen te wijzen. Dat was veel werk, maar hij heeft er geen spijt van. Als hij geen Desia en Gutob had leren spreken, had hij simpelweg zijn onderzoek niet kunnen uitvoeren. ‘Als antropoloog ben ik geïnteresseerd in de ideeën van de lokale bewoners. En als je de taal niet spreekt, krijg je dat lokale perspectief niet mee.’ 

Wat Berger vooral leuk vindt aan Desia is dat je een complete zin kunt vormen en zelfs een verhaal kunt vertellen uitsluitend door werkwoorden met elkaar te combineren. Dat laat zien dat de taal gericht is op actie, net als hun religie, zegt hij. Als de Senior Gabada over hun goden praten, introduceren ze die door te vertellen wat zij eten. ‘Het voedsel dat geofferd wordt belichaamt hun gemeenschap.’

Vertrouwen winnen

Maar het leren van een taal heeft niet alleen praktische voordelen. Het is ook essentieel om het vertrouwen te winnen van de mensen met wie je werkt, ontdekte docent geschiedenis Iva Pesa. 

Zij moest interviews houden in een van de minderheidstalen van Zambia, het Lunda. Maar ze verzamelde pas echt nuttige informatie toen ze een paar maanden in het district Mwinilunga verbleef, tussen mensen die nauwelijks Engels spraken. Doordat ze hun taal sprak, waren de geïnterviewden openhartiger tegen haar. ‘Ze toonden vertrouwen in me.’ 

Het was voor haar onderzoek ook erg handig om te weten waar de mensen over praatten, zonder dat ze afhankelijk was van vertalers. ‘Het was veel makkelijker om vervolgvragen te stellen dan wanneer ik een tolk had moeten gebruiken’, legt ze uit. 

Deelnemers

Taalwetenschapper Matt Coler was ook minder een buitenstaander bij de Aymara in Zuid-Amerika doordat hij hun taal sprak. Het veranderde ook de onderzoeksverhoudingen compleet, zegt hij. ‘De lokale mensen waren niet gewoon onderwerp van het onderzoek, maar namen er echt aan deel. Ze hielpen me hun taal te leren en die vollediger vast te leggen.’ 

Hoewel Aymara niet echt een bedreigde taal is – anderhalf miljoen mensen spreken het – verliest het steeds meer terrein aan het Spaans, en veel lokale dialecten staan wel op het punt te verdwijnen. Daarom wilde Coler de versie die ze in het afgelegen Peruaanse dorp Muylaque in het Andesgebergte spreken zo graag vastleggen.  

In plaats van de inwoners te vragen om wat er gezegd werd naar het Spaans te vertalen, probeerde hij zijn onderzoek in het Aymara te doen. Met zijn opnameapparaat ingeschakeld vroeg hij bijvoorbeeld aan een oudere inwoner om te vertellen hoe het leven daar vroeger was. Op die manier kon hij gegevens verzamelen die de taal beter en complexer weergaven. ‘Ik liet de sprekers zelf bepalen wat ze me vertelden en doordat ik dat in het Aymara deed was ik beter benaderbaar, ondanks mijn vette Amerikaanse accent. En mijn onderzoek had daardoor meer impact.’ 

Prestige

Na vier jaar in Peru sprak Coler de taal goed genoeg om zijn proefschrift af te kunnen ronden. Vijf jaar later schreef hij een boek: A Grammar of Muylaq’ Aymara: Aymara as Spoken in Southern Peru. Maar hij wil dat zijn bevindingen ook van nut zijn voor de gemeenschap waar hij zijn werk deed, en dus werkt hij nu met de Aymara samen aan de publicatie van een kinderboek. 

Als je een taal niet bevordert, laat je hem ook uitsterven

Desjardins wil ook dat zijn Inuit onderzoekspartners de resultaten van zijn werk kunnen lezen. Hij werkt nu mee aan een speciale uitgave van het vaktijdschrift Études/Inuit/Studies waarin artikelen gepubliceerd zullen worden in de Inuktitut-dialecten. ‘Ik geloof dat dit de eerste keer is dat we complete artikelen en niet alleen samenvattingen publiceren in de Arctische talen, zodat ze deel gaan uitmaken van het wetenschappelijke oeuvre.’

Het is misschien niet hun doel, maar als onderzoekers een minderheidstaal leren en daarover publiceren, geven ze hem prestige. En dat hebben die talen nodig om te blijven voortbestaan, zegt docent taal en maatschappij Aurélie Joubert: het is namelijk makkelijker om een taal te beschermen als die officieel erkend is. ‘De status van een minderheidstaal is vaak meer een kwestie van macht dan van het aantal mensen dat die taal spreekt.’ 

Haar eigen moedertaal is Frans. Omdat ze daarnaast ook Spaans en Italiaans spreekt, had Joubert altijd al interesse in de nauwe verwantschap van de Romaanse talen. Maar toen haar hoogleraar liet vallen dat Frankrijk meer Romaanse talen kent, vroeg ze zich af waarom ze dat niet wist. ‘Ik miste kennis over mijn eigen land, vond ik.’ En dus begon ze minderheidstalen te bestuderen die langzaam aan het verdwijnen zijn.  

Tegenwoordig is het Occitaans, een bedreigde taal uit Zuid-Frankrijk, niet alleen het onderwerp van haar onderzoek, maar spreekt ze het ook graag. ‘Als je een taal niet bevordert, laat je hem eigenlijk ook uitsterven. Dus ik doe in feite wat ik anderen ook aanraad.’

Engels