Wetenschap
Burgemeester Jan Tuin staat rechts van het betwiste huis. Foto collectie Beeldbank Groningen

Onderzoek versus oorlogsleed

De strijd om Kamplaan 8

Burgemeester Jan Tuin staat rechts van het betwiste huis. Foto collectie Beeldbank Groningen
De professionele inzichten van emeritus hoogleraar geschiedenis Maarten Duijvendak botsen keihard met die van de Joodse familie waarnaar hij onderzoek deed. En dan? Excuses maken? ‘Mijn reputatie kan ik alleen verdedigen door goed werk te blijven leveren.’
24 april om 10:52 uur.
Laatst gewijzigd op 24 april 2024
om 16:14 uur.
april 24 at 10:52 AM.
Last modified on april 24, 2024
at 16:14 PM.
Avatar photo

Door Christien Boomsma

24 april om 10:52 uur.
Laatst gewijzigd op 24 april 2024
om 16:14 uur.
Avatar photo

By Christien Boomsma

april 24 at 10:52 AM.
Last modified on april 24, 2024
at 16:14 PM.

Er is onderkoeld en er is onderkoeld. 

‘Nee, natuurlijk vind ik het niet leuk’, zegt Maarten Duijvendak over het slepende conflict tussen hemzelf en de Joodse familie Van Blankenstein, waarnaar hij onderzoek deed. ‘Ik heb ook emoties.’ 

Maar de enige manier om met zoiets om te gaan, zegt de emeritus hoogleraar geschiedenis, is zakelijk blijven. Professioneel. ‘Inhoudelijk rationeel blijven en je feitelijkheden op orde hebben.’

En dus probeert hij – waar mogelijk – uit te leggen waarom hij tot bepaalde conclusies is gekomen. Historische bronnen hebben nu eenmaal hun beperkingen, omdat niet alles bewaard is gebleven. Dan moet je bij elkaar leggen wat je weet en het meest waarschijnlijke scenario deduceren. 

Bovendien beseft hij hoe gevoelig de kwestie is voor de slachtoffers. ‘Misschien hebben we daar niet genoeg oog voor gehad, toen het familieverhaal, dat heel belangrijk is, niet overeenkwam met het droge feitenrelaas.’

Vijf regels

Al ruim twee jaar duurt de onenigheid tussen  Duijvendak en de nazaten van de Joodse familie Van Blankenstein, de oorspronkelijke eigenaren van het huis Kamplaan 8 in de villabuurt in Groningen-Zuid. Vijf regels tekst schreven hij en zijn medeonderzoekers erover in Lege Plekken, het onderzoek over de manier waarop de gemeente Groningen na de oorlog omging met het vastgoed van terugkerende Joodse inwoners. 

Het pand bleef tot zomer 1951 verhuurd door het NBI [dat de vermogens beheerde van tijdens de oorlog verdwenen personen, zoals gedeporteerde Joden, maar ook van collaborateurs en Duitsers die in Nederland woonden, red.] die in juni van dat jaar het beheer beëindigde. Een jaar later werd het huis verhuurd aan Jan Tuin, de net benoemde burgemeester van de stad. Vervolgens kocht de gemeente het pand om te gebruiken als nieuwe ambtswoning.

‘We noemden het als voorbeeld voor de lastige situaties die konden optreden toen er na de oorlog rechtsherstel kwam’, vertelt hij. De overheid moest een juridische kluwen ontwarren van bezittingen die in de oorlog waren verkocht en waar tegengestelde belangen bij golden. 

De villa aan de Kamplaan 8 in 1965, nog steeds in gebruik als ambtswoning van de burgemeester. Foto collectie Beeldbank Groningen

Eigen visie

Maar die zakelijke alinea schoot Hubert van Blankenstein, wiens moeder de enige overlevende was van haar familie, in het verkeerde keelgat. Want, mailde hij geëmotioneerd aan de gemeente, ‘hoewel ik waardering heb voor het vele verzette werk, kan ik het met de weergave van de geschiedenis van het bewuste pand bepaald niet eens zijn’.

Het rapport had geen enkele aandacht voor het verhaal achter de verkoop, vond Van Blankenstein. ‘Ongewoon aan dit verhaal is, dat ook na de oorlog er alles aan is gedaan om het huis NOOIT maar dan ook NOOIT terug te laten gaan naar de rechtmatige eigenaars’, schreef hij. Dát moest boven water komen: hoe ‘spelletjes en chicanes’ van de burgemeester ervoor gezorgd hadden dat zijn ouders geen andere keus hadden dan het pand te verkopen. 

Er is alles aan gedaan om het huis NOOIT terug te laten gaan naar de eigenaars

~ Hubert van Blankenstein

En dus voegde hij zijn eigen visie bij en vroeg de gemeente dit door te sturen naar de onderzoekers. Die konden dan het rapport aanpassen. 

Niet heel ongewoon, weet Duijvendak. ‘Het heeft echt te maken met de teloorgang van de deskundigheid’, denkt hij. ‘Wetenschap wordt als een mening beschouwd, terwijl niet alles een welles-nietes is.’

Historici die over gevoelige kwesties schrijven, zoals de Tweede Wereldoorlog, bemerken dit nog meer dan anderen. ‘Het roept sterke emoties op als onderzoeksresultaten niet overeenkomen met wat nabestaanden in de loop der jaren als familieverhaal hebben geconstrueerd. En wat is dan “gelijk hebben”?’

Maar hoewel Duijvendak op verzoek van de gemeente opnieuw in de situatie rond Kamplaan 8 dook en een aanvullend rapport schreef, vond hij geen bewijs voor het verhaal van Van Blankenstein. 

Kritiek

Wat volgde was een schadeclaim van 328.000 euro bij de gemeente Groningen – gebaseerd op het feit dat het huis bij verkoop minder geld had opgebracht omdat het verhuurd was geweest – die inmiddels is uitbetaald. Ook kwamen er excuses van de burgemeester voor de manier waarop de familie na de oorlog was behandeld. Overigens zonder dat de gemeente afstand nam van het rapport.

Van Blankenstein zelf schreef bovendien een boek over zijn ouderlijk huis, waarin hij de inzichten van Duijvendak scherp bekritiseerde. Dat leidde weer tot reportages in de nationale media, waaronder Nieuwsuur en Pointer, en hoogoplopende mailwisselingen tussen Van Blankensteins uitgever, Van Blankenstein zelf en Duijvendak.

Het voorlopige slotstuk was een ‘open brief’ van Van Blankenstein onder de titel J’accuse, waarin hij de historicus beschuldigt van een ‘vals narratief’ en “willful ignorance’. De titel is een opzettelijke verwijzing naar de open brief van Emile Zolá uit 1898, die daarmee de onterecht veroordeelde Joodse officier Dreyfuss verdedigde. Oftewel: indirect beschuldigt Van Blankenstein Duijvendak van antisemitisme.

Harde en zachte bronnen

Voor Duijvendak, een gerenommeerd sociaal-economisch historicus, is het lastig navigeren. Want hij deed wat hij moest doen: hij dook in de bronnen en schreef een rapport over wat die hem vertelden. Dat die geschiedenis voor de familie Van Blankenstein een open wond is, beseft hij heel goed. En dat hij botst met het familieverhaal van de familie Van Blankenstein is ook helder.

Tenzij hij met feiten komt, kan ik mijn conclusies niet veranderen

~ Maarten Duijvendak

Maar moet hij een ‘knieval’ maken, zoals Van Blankensteins uitgever voorstelde? Moet hij het verhaal van Van Blankenstein overnemen, terwijl diens versie niet strookt met de feiten? ‘Tenzij hij met feiten komt, een document dat ik nog niet heb gezien waaruit anders blijkt, kan ik mijn conclusies niet veranderen. Maar op dit moment zijn die er nog niet.’

Het probleem hier, denkt Duijvendak, is de botsing tussen de zakelijke vakhistoricus en de amateur – gepassioneerd, maar niet getraind. ‘Voor een historicus zijn er harde bronnen en zachte’, legt hij uit. Harde bronnen, dat zijn de besluiten van de gemeenteraad, of de aktes van de burgerlijke stand. Daar kun je juridische feiten op baseren. Zachte bronnen zijn brieven of egodocumenten, zoals dagboeken. ‘Heel belangrijk, want je kunt er ervaringen en motieven aan ontlenen.’ Maar die zijn vaak gekleurd en niet per definitie correct. 

Ook belangrijk is het plaatsen van je feiten in een context. Hoe waarschijnlijk is een bepaald scenario? Zijn er feiten die bepaalde inzichten waarschijnlijker of minder waarschijnlijk maken?

Huurovereenkomst

Op grond van zijn vakkennis ziet Duijvendak het zo: de vordering op Kamplaan 8 werd opgeheven zodra de Duitsers in Groningen het veld ruimden in april 1945. Maar toen de familie terugkeerde, trof ze het huis aan in verhuurde staat. De huur staat ingeboekt in hun financiële administratie.  

Maar dat had gevolgen. ‘Als je huurt ontvangt, is er dus een huurovereenkomst en daarmee huurbescherming’, zegt Duijvendak. 

En dus kon de gemeente de huurder er niet zomaar uitzetten. Pas toen die in 1951 vertrok, kwam er een mogelijkheid voor de familie om terug te keren. Alleen kreeg die daar geen toestemming voor van de gemeente. Wel trok de nieuwe burgemeester Jan Tuin erin. Een half jaar later werd het pand in verhuurde staat verkocht aan de gemeente, voor de vraagprijs. 

‘Je zou kunnen zeggen dat de gemeente daar een moreel rare stap heeft gezet’, geeft Duijvendak toe. Maar, zegt hij ook: dat is met de blik van nu. De woningnood vlak na de oorlog was onvoorstelbaar. ‘Je had mensen die in oude trams woonden aan de Friesestraatweg’, vertelt hij. ‘Zo erg was het.’

De regels rond woningtoewijzingen waren keihard. ‘Rijksambtenaren gingen voor gemeenteambtenaren en die gingen weer boven gewone stervelingen.’ Of iemand oorlogsslachtoffer was of niet, maakte op dat moment geen enkel verschil.

Beslag

Maar Van Blankenstein beschouwt deze visie als een belediging aan zijn overleden vader. Hij zegt dat de gemeente de vordering op het huis na de oorlog nooit heeft opgeheven, omdat het een ideale woning was om hoge gemeenteambtenaren in te huisvesten. Zijn vader had in 1951 geen andere keus dan het huis te verkopen, waarbij hij een ‘enorm financieel verlies’ leed. 

Van allerlei andere panden vond ik administratieve sporen, maar niet van deze

~ Maarten Duijvendak

Duijvendak had dat kunnen weten, stelde Van Blankenstein, want lagen de Herinneringen van zijn vader, in de jaren tachtig op schrift gesteld, niet in het Gemeentearchief? En stond daar niet in dat zijn vader nooit toestemming had gekregen de mooie, geschikte villa te betrekken met zijn snel groter wordende gezin? ‘Een bepaalde motivering gaf men er niet voor’, schreef zijn vader. ‘De gemeente had beslag gelegd op deze villa en ik heb altijd een sterk vermoeden gehad dat men ons gezin niet passend vond daar.’

Dat woordje ‘beslag’ is cruciaal. Een ‘feit’, stelt Van Blankenstein. Het in twijfel trekken van de woorden van zijn vader, een oorlogsslachtoffer, is ondenkbaar. Hij is ervan overtuigd dat de burgemeester een vals spelletje speelde om zelf in het huis te kunnen wonen.

Complottheorie

‘Maar het kan ook als beeldspraak zijn bedoeld’, zegt Duijvendak. ‘Hij kan het feit dat hij geen toestemming kreeg daar te wonen, ervaren hebben als een beslag van de gemeente.’ Bovendien, zegt hij, zou een gemeentelijk beslag administratieve sporen hebben nagelaten. ‘En die vind ik niet. Wel van allerlei andere panden, maar niet van deze.’

Bovendien was het voor de burgemeester vrijwel onmogelijk de woningwet te omzeilen, zegt Duijvendak. De communistische CPN zat in de oppositie en die zou de kans om de burgemeester een pootje te lichten onmiddellijk gegrepen hebben. ‘De politieke ruimte was er niet’, meent Duijvendak. 

Wat Van Blankenstein schrijft is in wezen een complottheorie, stelt Duijvendak. ‘Wie beweert dat de aarde plat is, moet met goede argumenten komen. Wie beweert dat een vordering van de Duitse Wehrmacht tot twee decennia na de oorlog heeft voortbestaan en daarbij en passant een burgemeester en een gemeentesecretaris beschuldigt, moet met goede bewijzen komen voor zo’n ongefundeerde stelling’, mailde hij ook naar de uitgever.

Maar ondertussen is er dus nog altijd die open brief met al zijn beschuldigingen. Maar voor aangifte wegens smaad zijn de bewoordingen van Van Blankenstein te netjes, weer Duijvendak. ‘Bovendien is het recht op vrije meningsuiting een groot goed. Mijn reputatie kan ik alleen verdedigen door goed werk te blijven leveren.’

Reactie van Hubert van Blankenstein

Het is betreurenswaardig. Professor Duijvendak heeft geen enkele van mijn aannames die in mijn boek met harde bewijzen werden gepresenteerd, inhoudelijk kunnen weerleggen. Ook nu niet. Mijn stelling is ondubbelzinnig onderschreven door het promotieonderzoek van dr. Gert Jan van Setten, Oorlogswinst, pagina 364. 

In zijn knullige en mislukte poging tot weerlegging spreekt professor Duijvendak zichzelf steeds tegen. Het is een technisch-juridische discussie die velen niet zal boeien, maar de onwaarheden die professor Duijvendak presenteert, zorgen ervoor dat feitelijk mijn vader postuum zelf de schuld zou moeten krijgen voor een slechte woningdeal met de gemeente. 

Dit terwijl deze gemeente ook getracht heeft mijn vader op zakelijk vlak (verffabriek) ‘uit te roken’. En dat is nog gelukt ook. Dus eerst worden wij door de gemeente onrechtmatig behandeld en daarna krijgen wij van professor Duijvendak onterecht een trap na. Dat steekt de familie. En dat is zwak uitgedrukt. 

Professor Duijvendak is niet in staat en te ijdel om over zijn eigen schaduw heen te stappen en zijn fout toe te geven. En ik ben het aan mijn vader en de rest van de familie die de oorlog overleefd heeft verplicht dit onrecht te blijven bestrijden. 

Deze strijd is heel lastig omdat de RUG veel geld heeft verdiend aan het onderzoek van professor Duijvendak. De rangen sluiten zich. Dat is onverteerbaar, juist in een stad met het hoogste percentage gedeporteerde en vermoorde Joden. Circa 90 procent van de Groningse Joden heeft het niet overleefd, terwijl het landelijke percentage op circa 75 procent ligt.

Engels