Universiteit
Auke de Boer begint de klim naar de Academietoren

Klokkenspeler klokt uit

De laatste 250 treden

Auke de Boer begint de klim naar de Academietoren
RUG-beiaardier Auke de Boer neemt na 25 jaar afscheid van zijn grote passie: elke dinsdag muziek uitstrooien over de binnenstad. UKrant ging – in beiaardierstred – nog eenmaal met hem mee omhoog naar het carillon.
15 december om 10:38 uur.
Laatst gewijzigd op 15 december 2021
om 10:49 uur.
december 15 at 10:38 AM.
Last modified on december 15, 2021
at 10:49 AM.
Avatar foto

Door Giulia Fabrizi

15 december om 10:38 uur.
Laatst gewijzigd op 15 december 2021
om 10:49 uur.
Avatar foto

By Giulia Fabrizi

december 15 at 10:38 AM.
Last modified on december 15, 2021
at 10:49 AM.
Avatar foto

Giulia Fabrizi

Nieuwscoördinator Volledig bio » News coordinator Full bio »

‘Misschien stop ik nu wel op mijn hoogtepunt’, zegt Auke de Boer met een hartelijke lach. Eigenlijk had de huisbeiaardier van de RUG nog wel een paar jaar door willen gaan. ‘Maar pensioen is pensioen en daar moet je je bij neerleggen. Je moet ook jongere mensen de kans geven’, zegt hij. 

Net zoals hijzelf 25 jaar geleden de kans kreeg om wekelijks de klokken in de toren van het Academiegebouw te laten klinken. ‘De klokken waren toen net nieuw’, zegt De Boer. Ze waren een idee van professor Hendrik de Waard, voorzitter van het Representatiefonds van de RUG.

Liefhebber

Het fonds bestond in 1996 honderd jaar en het Academiegebouw had een leegstaande toren. ‘De Waard was een liefhebber van klokken en hij vond het mooi om de toren te gebruiken en de universiteit een carillon te schenken.’ De Boer was de eerste die vanuit die toren ‘muziek over de binnenstad mocht uitstrooien.’

Wie de beiaardier spreekt, hoort direct de passie die hij voor de klokken heeft. Moeiteloos neemt De Boer zijn luisteraar mee in de geschiedenis van het oer-Hollandse instrument. 

In de wetenschap zoeken we in de randen van wat we al weten en dat is wat ik muzikaal ook heb willen doen

‘De eerste beschrijving van een beiaardier in Groningen stamt uit 1525, maar misschien was die er feitelijk al veel eerder. De mensen die er in de middeleeuwen naar luisterden, hoorden precies dezelfde klanken die wij nu ook horen. Dat is toch wonderlijk?’

Popnummers

De klanken mogen dan wel hetzelfde zijn, maar geen middeleeuwer die toen popnummers uit een toren hoorde schallen. ‘Dat is een van de mooie aspecten van beiaard zijn aan de universiteit’, zegt hij. ‘Daar kan veel meer dan ik bijvoorbeeld als stadsbeiaardier in de Martinikerk kon. In de wetenschap zoeken we in de randen van wat we al weten en dat is wat ik muzikaal ook heb willen doen.’

Dus speelde De Boer niet alleen ‘de veilige klassieke muziek’, maar zocht hij ook naar hedendaagse liedjes. Nummers die studenten, medewerkers van de universiteit en omwonenden zouden herkennen. Popnummers uit de afgelopen vijftig jaar, maar ook traditionele nummers uit andere landen. ‘Dan was er bijvoorbeeld een symposium over Japan en dan speelde ik allerlei Japanse liedjes’, zegt hij. 

‘Ik wilde aansluiten bij de belevingswereld van de luisteraars’, zegt hij. ‘Dat is met studenten ook zo geweest. Zeker met de internationale studenten, om hen een feeling home gevoel te geven. Het is prachtig als je dan een reactie krijgt van bijvoorbeeld een student uit Mexico dat dat ook is gelukt’, zegt De Boer.

Georgische ambassade

Of zoals voor de student uit Georgië die een specifiek Georgisch nummer bij hem aanvroeg. ‘Dat heb ik weten te spelen en daar heb ik zelfs het nieuws in Georgië mee gehaald’, zegt hij lachend. Het werd zo gewaardeerd, dat hij dat jaar tijdens de feestdagen een cadeautje kreeg van de Georgische ambassade. ‘Het was een muziekdoosje uit Georgië als onderscheiding voor verdienste voor hun land.’

Je moet ze vooral niet te snel doen, anders ben je halverwege uitgeput

Hij spreekt zonder weemoed, maar De Boer zal zijn wekelijkse gang naar de universiteit duidelijk missen. De sleutel ophalen bij de receptie, de wandeling naar het Honours College en dan via een deur in een werkkamer de toren in verdwijnen. De houten trap op naar de holle toren, waar een ijzeren wenteltrap langs de muur naar de nok leidt. 

‘Het zijn 250 treden’, zegt de Boer in rustig tempo stappend. De beiaardierstred, noemt hij dat. ‘Je moet ze vooral niet te snel doen, anders ben je halverwege uitgeput.’ 

Auke de Boer: ‘Het zijn 250 treden. Je moet ze vooral niet te snel doen, anders ben je halverwege uitgeput.’ 

Bezem

Bovenaan wordt hij verwelkomt door een licht gezoem. ‘Oh, ik zie dat de vloer weer vol is’, zegt hij met een glimlach. Overal liggen vliegjes, sommige dood, anderen hun laatste adem uitblazend. Tegen een kast staat een bezem. ‘Af en toe veeg ik de boel even bij elkaar.’ Hij wijst naar een behoorlijk grote zwarte heuvel. ‘En daar ligt dan dertig jaar aan dode vliegen.’

Hij is er nog niet. Om de klokken te bereiken moet hij nog een houten trap op, richting een houten vliering. En daar moet hij nog eens een houten trapje beklimmen om in een kleine ruimte uit te komen. Precies groot genoeg voor het klavier, de stokken die de klepels van de klokken laten bewegen, en hemzelf. 

‘Dit heb ik altijd met heel veel plezier gedaan. Niet op de minste plaats door de interactie die je met het universiteitsleven hebt.’ Want hij mag al die jaren dan wel alleen in de toren hebben gezeten, toch voelde hij het contact met de luisteraars.

Bobo’s

‘Zoals met de omwonenden die me vroegen of de klok kapot was als ik was vergeten de automaat aan te zetten’, zegt hij. Of met de bobo’s die op bezoek kwamen en die hij altijd vroeg of ze een verzoeknummer voor hem hadden. En studenten mochten altijd mee naar boven komen als ze wilden. 

Zorg dat er een voedingsbodem onder zit, dat studenten contact voelen

Zo moet je daar ook mee bezig zijn, vindt hij. ‘Anders ben je alleen een werkdier: je doet je baan, speelt keurig en mensen vinden het mooi of niet. Maar je moet zorgen dat er een voedingsbodem onder zit, dat studenten contact voelen, en omwonenden.’

Die voedingsbodem moet worden bemest, zoals De Boer dat zelf zegt. Niet alleen door het contact met de gemeenschap te houden en hen de liefde voor het carillon mee te geven, maar ook door jezelf te blijven ontwikkelen. 

Harvard en Yale

‘Ik ben regelmatig op campussen in Amerika geweest’, zegt hij. ‘Zoals Yale en Harvard. Daar heb je grote campussen met in het midden een toren. Dan ging ik op bezoek bij collega’s om te zien hoe zij hun werk deden en hen meer te vertellen over ons carillon.’

Ook was hij een graag geziene gast op verschillende congressen en bijeenkomsten. ‘Een aantal jaar geleden was ik nog in Brussel om een lezing te geven in de Senaat. De beiaarden van België werden toen opgenomen in het UNESCO-erfgoed en ik mocht in dat kader wat meer vertellen over de cultuur, het instrument en het vak.’ 

Als hij over zijn buitenlandse avonturen spreekt, glimmen zijn ogen. ‘Ja, het vak is misschien iets dat je zelf doet, maar eenzaam is het niet.’

Niet uitgeklokt

Op dinsdag 21 december slaat hij tussen drie en vier uur ’s middags zijn laatste slagen als universiteitsbeiaardier, maar uitgeklokt is hij dan allerminst. Wie weet is het nu tijd om een klokkenatlas te maken. ‘Een overzicht van alle klokken die in een provincie hangen. Groningen heeft er al een, maar Friesland bijvoorbeeld niet.’ 

En misschien heeft hij dan nog ruimte om speciale projecten te doen met de nieuwe RUG-beiaardier. ‘Met geïmproviseerde composities, of live-muzikanten die met de klokken meespelen’, bedenkt hij. ‘Ik ga voorlopig niet achter de geraniums zitten.’

English