Liever een master elders
Help, de uni is lek!
We bungelen helemaal onderaan: geen enkele Nederlandse universiteit heeft minder masterstudenten die afkomstig zijn van een andere hogeronderwijsinstelling. Om precies te zijn gaat het bij de RUG om 31 procent, waar het landelijk 48 procent is en bijvoorbeeld Wageningen zelfs 64 procent nieuwe masterstudenten weet te trekken.
Tegelijk vertrekken Groningse studenten na hun bachelor in groten getale naar andere universiteiten: slechts 55 procent kiest ervoor hier ook een master te doen.
En dat is een probleem, want het betekent dat met name kleinere mastertracks niet gevuld raken. Zeker nu het aantal nieuwe bachelorstudenten aan de RUG daalt en het aantal masterstudenten zelfs nog harder.
Het gaat ook tegen de landelijke trend in. Terwijl – zeker in de Randstad – de laatste jaren een toenemend aantal masterstudenten hun bachelor aan een andere universiteit volgde, nemen die percentages in Groningen af. Dat blijkt uit data van koepelorganisatie Universiteiten van Nederland (UNL).
Hoe kan dat? En wat kan de RUG doen om aantrekkelijker te worden?
Meer internationals
‘Het komt grotendeels doordat de RUG steeds meer internationale studenten telt’, zegt woordvoerder Sophie Dannenburg-Douwes van de universiteit. Zij zijn minder geneigd om na hun bachelor aan dezelfde instelling te blijven studeren. En inderdaad: wie de cijfers uitsplitst, ziet dat 64 procent van de Nederlandse bachelorstudenten op de RUG blijft hangen, terwijl dat voor niet-EU-studenten slechts 22 procent is.
We verliezen studenten aan de technische universiteiten
Maar dat is niet de enige oorzaak. De Universiteit van Amsterdam en de Universiteit Maastricht tellen bijvoorbeeld hogere percentages internationale studenten – respectievelijk 32 en 60, tegen 27 op de RUG – maar weten die beter vast te houden. Daardoor zien zij hun totale interne doorstroom toch hoger liggen dan de RUG.
Een nieuwe, RUG-brede taskforce onderzoekt momenteel zowel de doorstroom vanuit de bachelor naar de master als het toelatingsproces voor masters op knelpunten, maar wil daar nog niets over kwijt. In elk geval stelt de universiteit zelf voor om in verschillende landen agents aan te stellen die op commissiebasis masterstudenten gaan werven voor alle faculteiten. Bachelorstudenten worden vooral geworven voor de tekortsectoren – de zorg, techniek en het onderwijs. Ook worden de opleidingspagina’s op de RUG-website verbeterd.
Bètafaculteit
Ondertussen probeert de Faculty of Science and Engineering (FSE), een van de faculteiten waar de uitstroom het hoogst is en de instroom het laagst, zelf antwoorden te vinden.
De bètafaculteit zit in de afronding van een project om in kaart te brengen waar studenten na hun bachelor gaan studeren en waarom. Daarvoor hebben ze vragenlijsten uitgezet onder net-afgestudeerden en houden ze panelgesprekken met bachelor- en masterstudenten, meldt Berdien Kooistra-Akse, directeur van de School of Science and Engineering en medeverantwoordelijk voor het onderwijs aan de faculteit.
‘Onze doorstroom is niet slecht als je het vergelijkt met bijvoorbeeld de Universiteit Twente – ook een regionale universiteit – of de Universiteit Utrecht’, zegt ze. Waar 55 procent van de FSE-studenten bij de RUG blijft voor een master, is dat in Twente 58 procent.
Toch is er reden voor een onderzoek. ‘We verliezen studenten na hun bachelor aan de technische universiteiten, terwijl we die graag hier willen houden. De masteropleidingen van FSE bieden daar qua instroom ook ruimte voor.’
Harde knip
Ook bij gedrags- en maatschappijwetenschappen (GMW) kampen ze met veel vertrekkende studenten die ze graag zouden interesseren voor hun masters, zegt vicedecaan onderwijs Hilda Amsing. Er zijn een aantal Engelstalige mastertracks bij pedagogiek die maar weinig studenten trekken: zo’n veertig per jaar.
Aan het einde van een studie ligt de wereld gevoelsmatig weer open
Bij pedagogiek en onderwijswetenschappen kiest 47 procent van de bachelorstudenten voor een andere universiteit of stopt met studeren. Bij psychologie is dat 53 procent. Dat is hoog, vindt Amsing, en er komen maar weinig studenten van elders voor terug. ‘Dat ligt dan toch aan de arbeidsmarkt, die groter is in de Randstad, of aan hoe aantrekkelijk het is om daar te gaan studeren.’
Wat niet meehelpt, zegt ze, is de opbouw van de bachelor- en masterstructuur. Ze doelt op de herinvoering van de zogenaamde ‘harde knip’, waarbij studenten hun bachelor eerst moeten afronden voor ze een master mogen starten. ‘Aan het einde van een studie ligt de wereld gevoelsmatig weer open voor studenten. Dan kun je met een schone lei opnieuw kiezen, en zijn voor Groningse studenten bijvoorbeeld ook opleidingen in de Randstad aantrekkelijk.’
De RUG hanteerde om die reden aanvankelijk een zachte knip, zodat studenten alvast met hun master konden beginnen terwijl ze nog niet klaar waren met de bachelor. Maar in 2012 werd de harde knip landelijk verplicht.
Arbeidsmarkt
Bij de Faculteit Economie en Bedrijfskunde (FEB) speelt de trek naar de Randstad ook een rol. Zo’n 40 procent van de studenten gaat weg, terwijl maar 20 procent van de masterstudenten van elders komt. ‘We bieden behoorlijk brede bachelors, en vanuit daar kunnen studenten makkelijk uitwijken naar andere universiteiten’, zegt vicedecaan onderwijs Manda Broekhuis.
FEB-studenten – en zeker internationals, die minder aan een woonplek gebonden zitten – verwachten daarnaast lastig een baan te kunnen vinden in het Noorden. De faculteit denkt daarom aan speciale recruitment days vanuit de studieverenigingen, vooral gericht op het noordelijk bedrijfsleven.
Minder Engelstalig
GMW hoopt bepaalde Engelstalige mastertracks aantrekkelijker te maken door ze om te zetten in het Nederlands. ‘Een deel van onze bachelorstudenten geeft aan dat de voertaal in de master een belemmering voor ze is’, zegt Amsing. ‘En zo worden de tracks ook aantrekkelijker voor hbo-afgestudeerden die een pre-master hebben gedaan.’
Een deel geeft aan dat de voertaal in de master een belemmering voor ze is
En ja, daarmee verliest de faculteit internationale studenten, erkent ze. ‘Daar heeft de faculteitsraad ook kritische vragen over gesteld. Maar de aantallen internationals in deze masters zijn relatief klein.’ Het zijn er bijvoorbeeld vier op een kleine groep van vijftien studenten, waardoor de track ook bedreigd wordt in haar voortbestaan.
Tegelijk loopt de grootste masteropleiding binnen de pedagogiek, orthopedagogiek, tegen zijn grenzen aan wat betreft het aantal stageplekken. ‘Als we switchen naar het Nederlands, worden de kleinere masters aantrekkelijker voor Nederlandse studenten’, verwacht Amsing. ‘We krijgen er meer Nederlandse studenten voor terug en dan wordt tegelijk de orthopedagogiekmaster ontlast.’ Er blijven nog minimaal twee Engelstalige pedagogiek-mastertracks over, terwijl er twee worden omgezet naar het Nederlands.
Faciliteiten
Ook bij FSE wordt er al actie ondernomen, zegt Kooistra-Akse. ‘We kijken hoe we de pre-masters zo kunnen vormgeven dat het proces rondom de toelating eenvoudiger wordt.’ Zo is het voor hbo-studenten sneller duidelijk of ze aan de master kunnen beginnen. Daarnaast wordt er meer ingezet op het zichtbaar maken van de faciliteiten, zoals het engineeringlab in het Feringa Building, 3D-printers en het gebruik van robothonden in programmeervakken.
‘Maar we hebben qua techniekfaciliteiten nog meer te winnen’, zegt ze. ‘Dat geven studenten in de enquêtes ook aan. Dus we gaan kijken naar wat we nog meer kunnen doen.’ Een voorbeeld is het opzetten van een speciale innovation space met apparatuur die studenten kunnen gebruiken.
Verder wil de bètafaculteit een inventarisatie van de baankansen in de regio doen. ‘Want het idee heerst dat hier in de regio niet voldoende technische banen zijn, en dat je daarom naar de Randstad moet. We weten dat er al een groep alumni in de regio werkt, maar dat er hier nog meer afgestudeerden nodig zijn, dat willen we ook gaan uitdragen.’
Hoge doorstroom bij rechten
De rechtenfaculteit heeft juist een hoge doorstroom van eigen studenten: 80 procent van de studenten die de Nederlandse bachelor voltooien, doet daarna een Nederlandstalige master in Groningen.
In die master maken zij 75 procent van de totale groep uit. De andere 25 procent bestaat grotendeels uit hbo-afgestudeerden. ‘Het aantal studenten met een juridische bachelor van een andere universiteit is op twee handen te tellen’, zegt onderwijsdirecteur Jaap Dijkstra.
En dat vind hij niet bepaald erg. ‘Ik zou ook mijn studenten niet aanraden om aan een andere universiteit een master te gaan doen. Je zit toch met een slechte aansluiting of juist een overlap in de vakken tussen de bachelor en de master.’ Aan andere rechtenfaculteiten zie je hetzelfde beeld, weet hij.
Engelstalige bachelor
Bij de Engelstalige bachelor is dat toch anders: hier volgt zo’n 35 tot 40 procent van de studenten ook een master aan de RUG. Een derde vertrekt naar een andere universiteit in Nederland, terwijl de rest naar het buitenland gaat. ‘Zij gaan onder andere naar topopleidingen als Cambridge, Oxford en de Sorbonne.’
Die cijfers verbazen Dijkstra niet. ‘Er is veel meer keuze in Engelstalige masters, en bovendien zit er een minder duidelijk verband tussen de Engelstalige bachelors en de masters. Het is voor ons de uitdaging om de subtop aan studenten voor een master te behouden.’
Daarvoor hoef je niet in te zetten op niche-opleidingen, ziet Dijkstra. ‘Wij moeten het in Groningen echt hebben van de kwaliteit van onze masteropleidingen.’