Oud

Ik weet niet hoe het komt, maar tegenwoordig zijn steeds meer mensen jonger dan ik: mijn kapper, de tandarts, het leuke meisje bij de bakker (veel jonger!).
Door Gerrit Breeuwsma

Maar ook collega’s en zelfs mijn leidinggevende (ik schrik altijd een beetje van dat woord, zoals je zonder licht op je fiets altijd schrikt van een politiewagen. Nou ben ik erbij, denk je, maar meestal valt het mee en rijden ze gewoon door, waarna je opgelucht adem haalt. Ze hebben je kennelijk niet gezien, wat natuurlijk het voordeel is van fietsen zonder licht). Het kan dus bijna niet anders of ik ben oud geworden.

Nu heb ik op zich niets tegen ouder worden (moet ook gebeuren), maar soms mis ik het toch wel een beetje: jong zijn. U weet wel, die periode dat het aantal verwachtingen je teleurstellingen nog ruimschoots overtreft.

Ik had ooit hoge verwachtingen van mezelf. Lang geleden werd ik op een symposium eens aangekondigd als ‘aanstormend talent’; daar viel niets op af te dingen, meende ik. Welke kant ik precies op stormde, weet ik niet meer, maar ik ben bang dat ik er nooit ben gearriveerd. Ik heb er in ieder geval nooit meer iets over vernomen.

Misschien dat ik het ook merk aan de frequentie waarmee ik mezelf op begrafenissen en crematies terugvind. Waarschijnlijk zit ik nu in een levensfase waarin steeds meer mensen je ontvallen. Zo was ik onlangs bij de uitvaartplechtigheid van wat goed beschouwd mijn eerste ‘leidinggevende’ is geweest, de emeritus hoogleraar Ontwikkelingspsychologie J.J. van der Werff.

J.J. stond voor Jacobus Johannes, maar voor intimi was hij Koos. Als zijn student-assistent rekende ik mij daar niet toe. Daarvoor was zijn gezag te vanzelfsprekend, al beschikte hij over de meest autoriteitsloze variant daarvan en kan ik me niet herinneren dat hij ooit iets van me geëist heeft.

Ik was als redactie-assistent betrokken bij zijn driedelige inleiding in de ontwikkelingspsychologie. Daarnaast organiseerde ik de werkcolleges van Van der Werffs introductie in de ontwikkelingspsychologie. Een enkele keer mocht ik hem vervangen bij een college in een volle Offerhauszaal. Een paar jaar later zouden het mijn eigen colleges worden.

Van der Werff zelf was ooit assistent geweest bij de fameuze hoogleraar Benjamin Kouwer, die met Het spel van de persoonlijkheid één van de bijzonderste Nederlandse psychologieboeken heeft geschreven. Kouwer maakt daarin kort gezegd duidelijk dat het meest zekere wat je over jezelf kunt zeggen misschien wel is dat je niets met zekerheid over jezelf kunt zeggen.

Van der Werff is voortgegaan op de onmogelijke zoektocht naar het zelf en de fundamentele twijfel die daarbij hoort. Helaas deed hij dat in een tijdsgewricht waarin het vermaledijde publish or perish de kop op stak en er steeds minder ruimte was voor twijfel, die hij overigens wist te combineren met een ragfijn gevoel voor humor.

Van der Werff werd het type professor dat in de vaart der volkeren een beetje archaïsch werd. Hij wist dat overigens zelf ook wel. Toen hij in 2003 nog een Kleine wie-ben-ik psychologie publiceerde, deed hij dat aan de hand van uitspraken van Maarten Toonders Olivier B. Bommel. Een heer van stand.

Na zijn emeritaat (ik mocht inmiddels Koos zeggen) zag ik Van der Werff vooral in het voorbijgaan, als hij op zijn vouwfietsje door de stad jakkerde. Ik groette hem dan, maar wist nooit helemaal zeker of hij me had gezien.

Tijdens de ontroerende uitvaartplechtigheid werden ook de fietsreisje gememoreerd die Van der Werff zoal door het land maakte. Bij een van die gelegenheden deed hij mijn geboortestad aan. Op een bepaald moment moet hij de weg kwijt zijn geweest en laat nu net mijn moeder hem aanschieten om hem die te wijzen.

In het korte gesprekje dat ze hadden, viel het woord Groningen, waarop mijn moeder erin slaagde mijn naam te berde te brengen. ‘O, maar die is mij opgevolgd’, moet van der Werff enthousiast hebben uitgeroepen. Tenminste, volgens mijn moeder, die er als enige van overtuigd is dat mijn hoge verwachtingen zijn gerealiseerd.

In maart sprak ik Van der Werff nog even, uitgerekend bij de onthulling van Kouwers professorenportret in het Academiegebouw. Hij leek me aanvankelijk niet te herkennen, zodat ik begon uit te leggen wie ik was, waarop hij me aankeek en zei: ‘Goh, maar jij bent oud geworden’.

Ik kon dat alleen maar beamen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Reacties met een link worden beoordeeld en kunnen worden geweigerd. / Comments containing a link will be reviewed and may not be published.

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in