Het grote goed van culturele bagage

Sommige eerstejaarsstudenten missen culturele en sociale bagage en dan gaan ze stomdronken met sushi smijten naar andere studenten, stelt columnist Gerrit Breeuwsma vast.

Vorig jaar wilden enkele van mijn studenten een paper schrijven over eerstegeneratiestudenten. Nu ben ik geneigd om ieder initiatief te zegenen met mijn goedkeuring, maar in dit geval moesten zij me wel eerst even vertellen wat dan precies ‘eerstegeneratiestudenten’ waren.

Dat wilden ze wel en ze legden uit dat het om studenten gaat van wie beide ouders geen studie aan het hoger onderwijs hadden gevolgd.

Ah, dacht ik, mensen zoals ik.

Eind jaren zeventig was ik de eerste in mijn (omvangrijke) familie die naar de universiteit ging. Een van mijn ooms vond het maar malligheid dat ik na zoveel jaar nog langer door moest leren; en dan ook nog zoiets ongrijpbaars als psychologie (als hij het woord uitsprak, had hij hoorbaar moeite de s aan de goede kant van de p te krijgen).

Hoe breed zijn bedenkingen werden gedeeld, weet ik niet precies, want mijn studie wilde tijdens familiebijeenkomsten zelden onderwerp van gesprek worden. Er werd niet naar gevraagd en ik vermeed het me erop voor te staan.

Mijn uitzonderingspositie was verre van uitzonderlijk en gold voor een hele generatie ‘arbeiderskinderen’ die in de jaren zestig en zeventig voor het eerst op grote schaal gingen studeren. Daarmee stegen ze niet alleen op de maatschappelijke ladder, maar ontstegen ook hun ouderlijk milieu.

Met een diep ontzag voor de universiteit bleven ze onzeker over zowel hun academische kwaliteiten als hun informele behendigheid

In 1992 verscheen er een onderwijssociologisch proefschrift van Jan Brands over dit onderwerp, waarin hij aan de hand van levensverhalen liet zien dat de sociale stijgers vervreemdden van hun vertrouwde omgeving, maar nooit helemaal vertrouwd raakten met hun nieuwe academische milieu. Met een diep ontzag voor de universiteit bleven ze onzeker over zowel hun academische kwaliteiten als hun informele behendigheid.

Op een of andere manier zag ik het dus als een probleem van het verleden, maar in 2020 waren naar schatting vier op de tien studenten aan universiteit en hbo nog steeds eerstegeneratiestudent. In vergelijking met tweede- of derdegeneratiestudenten missen zij de nodige voorkennis over wat ze op de universiteit kunnen verwachten.

Aan de keukentafel kunnen ze niet gemakkelijk met hun ouders over leerstrategieën of lastige tentamens van gedachten wisselen, laat staan dat ouders hen kunnen helpen bij het studeren. Eerstegeneratiestudenten vallen dan ook vaker uit tijdens de studie. Daarnaast missen ze de sociale en culturele bagage, waardoor hun leven als student nauwelijks aansluit bij hun achtergrond.

Ze hebben er bovendien geen weet van dat je – stomdronken uiteraard – met sushi kunt gaan smijten

Dat laatste stel ik me dan maar voor als studenten die tot voor kort amper een idee hadden hoe sushi smaakt, laat staan dat je zoiets exotisch onbeperkt kunt eten in een Sushi Mall. Ze hebben er bovendien geen weet van dat je – stomdronken uiteraard – met sushi kunt gaan smijten, mocht je toevallig woorden krijgen met andere studenten.

Ze snappen ook niet dat je dan niet ongelooflijk op je kop krijgt, maar er met een paar zalvende woorden van een zich rector noemende snotneus (‘Wij hopen dat dit in de toekomst nooit meer zal gebeuren’) en een schorsing van 72 uur vanaf komt.

Tja, zonder culturele bagage ben je goed beschouwd nergens.

Toen ik in de vroege jaren negentig promoveerde, besloot ik de hele familie uit te nodigen om daarbij aanwezig te zijn. Tot mijn stomme verbazing kwamen ze allemaal. Dat zorgde voor een goed gevulde aula en los van iedere sociale ladder ben ik sindsdien in ieder geval enorm gestegen in hun achting.

Dat ik mij, kritisch aan de tand gevoeld door een hele stoet professoren, staande had weten te houden met volzinnen waarvan ze de helft niet begrepen, dwong respect af en kon alleen maar betekenen dat ik een groot geleerde was.

Dat beeld probeer ik sindsdien zorgvuldig in stand te houden.

GERRIT BREEUWSMA

4 REACTIES

  1. Dus, Prof. Dr. Breeuwsma suggereert hier eventjes, vrij vertaald, dat een stel dronken corpsballen met rauwe vis naar elkaar gingen gooien omdat het eigenlijk boerenpummels/arbeiders/paupers die niet wisten dat dat niet hoort, zo zonder de ‘culturele bagage’ die de kinderen van hoogopgeleiden met de paplepel krijgen ingegoten?
    Wat een absurde en onderhandse manier om eerstegeneratie studenten te stigmatiseren.
    Is het niet iets aannemelijker dat deze Vindicaters en Albertianen zich vrij voelen om met enige regelmaat de Sushi Mall op stelten te zetten juist vanwege hun culturele bagage? Hoeveel van hen zijn namelijk niet bij het corps gegaan omdat pappa en/of mamma daar ook bij zat(en)? Hoeveel van hen zijn niet opgegroeid met verhalen van hoe zij wel wat ergere streken uithaalden, toen lid zijn nog leuk was en het corps niet onder zo’n vergrootglas lagen? En dat Joris-Willem-Diederik-Robert zich geen zorgen hoeft te maken over de schadevergoeding, want papa heeft via zijn amice een mooi baantje geritseld bij KPMG, dus die kan altijd wat bijleggen voor in onkostenpot.
    Maar nee, deze kerels deden het omdat hun ouders geen volzinnen konden begrijpen en liever stamppot eten dan sushi….

    • Grappig, zo heb ik het helemaal niet gelezen. Eerder als een ironische reflectie op het gedrag van een stel studenten waarvan, naar alle waarschijnlijkheid, slechts een zéér klein deel ‘eerstegeneratiestudent’ is.

    • Eens met Eric! Zo heb ik deze column ook gelezen: dat van de kinderen wiens ouders en grootouders gestudeerd hebben juist verwacht wordt dat ze die culturele bagage hebben, terwijl dat dus nergens uit blijkt (zie incident sushi mall).

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Reacties met een link worden beoordeeld en kunnen worden geweigerd. / Comments containing a link will be reviewed and may not be published.

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in