Helden

Tijdens een van mijn colleges vraag ik mijn studenten naar hun wetenschappelijke helden en bijna altijd blijft het daarna stil. Er wordt wat glazig naar me gekeken of soms zelfs wat schrikkerig, alsof het een strikvraag op een tentamen is: wat wil hij in hemelsnaam van ons?
Door Gerrit Breeuwsma

Is er na drie, vier jaar studeren niet één psycholoog of een aanpalende wetenschapper die je inspirerend vindt, probeer ik ze vervolgens op het spoor van een antwoord te brengen, maar meestal zonder succes.

Om de ongemakkelijke stilte te doorbeken, begin ik dan maar wat te vertellen over de helden die ik zo door de jaren heen heb gehad: Freud, William James, Darwin en Chomsky, om een paar te noemen, of helden van bescheidener formaat, zoals de beide Jeromes (Kagan en Bruner), want ook het pantheon der goden kent zijn rangen en standen.

Eerlijk gezegd stammen de meeste van die helden uit mijn prille jaren in de wetenschap en wellicht kleeft er ook wel iets onvolwassens aan heldenverering. Toch zou het onverstandig zijn het om die reden te laten. Zoals de liefde je altijd wel wat leert over jezelf, zo werkt dat ook met de bewondering voor je helden. En net als in de liefde, ga je je uitsloven voor een held. Nee, je neemt geen bloemetje voor ze mee en trakteert ze niet op een etentje, maar je gaat ze bestuderen en voor je er erg in hebt, toets je je eigen ideeën aan die van hen, waarbij je natuurlijk flink op je tenen moet staan, en ook dan nog niet tot hun schouders reikt.

Helden hebben wel de onhebbelijkheid om van hun voetstuk te vallen en dat is voor alle partijen pijnlijk, maar ook leerzaam, want het dwingt je om je eigen opvattingen kritisch tegen het licht te houden (wat zag ik toch in Freud?), waarna je een beetje met ze blijft omgaan als met een ex over wie je na een paar glazen wijn in een sentimentele bui nog wel eens opmerkt dat ze toch een belangrijk deel van je leven is geweest.

Maar kennelijk is dat er bij de huidige – blind date – generatie studenten dus niet meer bij? Dat zou jammer zijn, niet alleen voor mijn studenten, maar voor het universitair onderwijs in het algemeen.

Het valt het onderwijs trouwens ook aan te rekenen, meende Allan Bloom eind jaren tachtig al in zijn beroemde boek The Closing of the American Mind. Ik was destijds geen fan van Bloom. Naar mijn smaak en (progressieve) zelfbeeld was hij veel te conservatief, maar toen ik hem onlangs herlas, ging mijn hoofd bijna los zitten van het vele instemmend knikken.

Bloom schrijft ergens dat zijn studenten geen helden meer hebben (ik heb mijn vraag toch niet van hem gepikt?), omdat ze, gesteund door de ideologie van het zelfbewustzijn, geïnfecteerd zijn door de obsessie dat je ‘jezelf’ moet zijn. Het is de grote kwaal van de populaire cultuur, waar de psychologie op zijn minst medeschuldig aan is. Bloom haalt dan ook uit naar een hoogleraar psychologie, die zegt het als zijn taak te zien om vooroordelen bij zijn studenten omver te werpen.

Nu is scepsis een houding die goed past bij de wetenschap, maar dan als uitkomst van een lang leerproces; de jeugd, aldus Bloom, twijfelt al aan het geloof voordat ze überhaupt ergens in geloven. Bloom antwoordt zijn collega dan ook dat hij het juist als zijn taak ziet vooroordelen bij te brengen, want wie nooit ergens in heeft geloofd, kan ook nooit de vreugde van de bevrijding van het geloof kennen.

‘Je kunt alleen maar medelijden hebben met jonge mensen die geen voorbeelden hebben om te bewonderen en na te volgen, en aan wie op kunstmatige wijze het enthousiasme voor het grote wordt onthouden’, meent Bloom. Als die wat moedeloos klinkende vaststelling juist is, ligt daar echter ook de sleutel tot de oplossing van het probleem, want dan is het de taak van het academisch onderwijs die voorbeelden te leveren en ze het enthousiasme voor het grote niet langer te onthouden.

Zo bekeken heeft een Nobelprijs vooral een didactische waarde.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here